
Dit is het derde en laatste deel van een driedelige serie over de Sokal-affaire en het boek dat Sokal en Bricmont daarover geschreven hebben: Intellectual Impostures – intellectuele schijnbewegingen.
Toen ik een jaar of twintig was, schreef ik mijn eerste artikel dat gepubliceerd werd in het blaadje van de VGSW – de Vereniging van Gereformeerde Studenten in Wageningen: de Melkbus. Het was een vrij uitgebreide en vernietigende bespreking van een artikel dat eerder dat jaar was verschenen in de lustrumbundel van diezelfde vereniging.
Ik moet bekennen dat het boek van Sokal en Bricmont mij sterk heeft doen denken aan die tijd. Uiteraard niet omdat mijn bespreking van destijds hetzelfde niveau had, maar omdat mijn bespreking wel dezelfde intentie had: ontmaskering van pretentie, opgeblazenheid, onleesbaarheid, prietpraat.
Hoofdstuk vier van Intellectual Impostures behandelt het onderwerp Epistemic Relativism in the Philosophy of Science – kentheoretisch relativisme in de wetenschapsfilosofie.
Het centrale punt van dit hoofdstuk is: bestaat er een echte werkelijkheid buiten wat onze zintuigen aan ons doorgeven? Is de werkelijkheid reëel, of is die slechts een illusie die we door ons gebabbel en ons gedrag met elkaar in stand houden.
De auteurs nemen uiteraard aan dat er een werkelijkheid is waar we iets over te weten kunnen komen, want anders zou elke wetenschapsbeoefening futiel zijn. En trouwens, als de werkelijkheid niet zou bestaan, zouden ook heel veel alledaagse gedragingen totaal onbegrijpelijk worden.
Ze onderscheiden allereerst solipsisme en radicaal skepticisme. Over solipsisme – de overtuiging dat er niets anders bestaat dan de ervaring in de geest van de waarnemer (Harry Mulisch kwam er dicht bij in de buurt) – zijn de auteurs kort: ze beschouwen deze niet als een serieuze intellectuele positie. Het is in hun ogen niet mogelijk om deze positie te goeder trouw in te nemen.
Maar ook het radicale skepticisme van David Hume verschilt volgens hen niet werkelijk van het solipsisme. “The universality of Humean scepticism is also its weakness.” Dit skepticisme is fundamenteel onweerlegbaar. Maar de meest voor de hand liggende manier om de samenhang van onze ervaringen te verklaren is door aan te nemen dat er een werkelijkheid buiten onze zintuigen bestaat.
De auteurs gebruiken een aantal argumenten om hun positie te staven. In de kern nemen ze het gezonde verstand als uitgangspunt: wat in het normale leven geldig is, is dat meestal ook in de wetenschap, ook al zijn wetenschappelijke conclusies vaak veel subtieler, en zijn die conclusies zeker wel eens strijdig met datzelfde gezonde verstand.
Vervolgens binden de auteurs de strijd aan met de rol die Kuhn (paradigma’s) en Feyerabend (Anything goes) hebben gespeeld in de discussie over kentheoretisch skepticisme.
De auteurs wijden ook een beschouwing over het veelvuldige misbruik dat wordt gebruikt van het Theorema van Gödel en de Verzamelingenleer.
Ten slotte: in hun epiloog verdedigen de auteurs een aantal stellingen:
- Zorg dat je weet waarover je praat.
- Niet alles wat moeilijk te begrijpen is, is ook diepzinnig.
- Wetenschap is geen ‘tekst’.
- Het naäpen van de natuurwetenschappen is een slecht idee.
- Gebruik geen autoriteitsargumenten.
- Verwar nooit specifieke vormen van skepsis met radicaal skepticisme.
- Gebruik dubbelzinnigheid of ambiguïteit nooit als truc of uitvlucht.
Erg opzienbarend zijn die stellingen niet, maar ze verdienen het wel om van tijd tot tijd herhaald te worden.
[Slot]
PS Hierbij een scan van de oorspronkelijke hoax – let ook op de uitgebreide literatuurlijst.
