Inleiding Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).
[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint onder het hoofdje Gedicht met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]
R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):
“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”
Het door mij vertaalde gedicht – Travels – is een karakteristiek Thomas-gedicht. Ik vermoed dat het ontstaan is op een van de wandelingen in onherbergzaam Welsh gebied aan de kust.
Het gedicht wijst erop dat alles wat ertoe doet voortkomt uit aandacht en contemplatie, en dat al ons gepraat, onze kennis en onze voorstellingen niet erg behulpzaam zijn om onze bestemming te bereiken.
Verbeelding en stilte zijn essentieel. Ook de god die op een afwezige manier aanwezig is – het lijkt of hij in zichzelf verdiept is, en wij kunnen hem niet bereiken; we kunnen alleen voelen dat hij er is – is heel karakteristiek voor Thomas.
Het gedicht is opgenomen in de bundel Frequencies (1978), uitgegeven door Macmillan.
Enfin, ik hoop dat de vertaling gelukt is.
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
Reizen
Ik ging op reis, ontdekte trucs voor misleiding, lachte zonder te fronsen, hield mijn lippen soepel met leugens; leerde kwaadaardigheid verteren, wetend dat het een kroon was op mijn succes. Is de wereld uitgestrekt? Zijn er streken waar de verbeelding niet bij kan? Verloochen nooit de kennis die je er opdeed. Hier kwam ik, de rivier stroomopwaarts volgend naar zijn bronnen in de Welshe heuvels, klaar om zijn rijkdom te ontleden; ‘k staarde naar de gladde pupil van water die naar mij terugstaarde op een afwezige manier zoals een god die zich bezon op zijn eigen navel; ‘k voelde de kilte van onmetelijke diepten die ik hier eigenlijk had moeten peilen; ‘k aanschouwde het wegstromen van bronwater voor de vorming van verre zeeën waarop de mens moet leren navigeren om thuis te kunnen komen.
Origineel
Travels
I travelled, learned new ways to deceive, smiling not frowning; kept my lips supple with lies; learned to digest malice, knowing it tribute to my success. Is the world large? Are there areas uncharted by the imagination? Never betray your knowledge of them. Came here, followed the river upward to its beginning in the Welsh moorland, prepared to analyse its contents; stared at the smooth pupil of water that stared at me back as absent-mindedly as a god in contemplation of his own navel; felt the coldness of unplumbed depths I should have stayed here to fathom; watched the running away of the resources of water to form those far seas that men must endeavour to navigate on their voyage home.
Inleiding Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).
[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint onder het hoofdje Gedicht met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]
R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):
“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”
Het gedicht Het door mij vertaalde gedicht – The New Mariner – is een karakteristiek Thomas-gedicht. Thomas’ religieuze preoccupaties zijn aanwezig, en tevens de moeilijkheden die dat met zich meebrengt.
De titel bevat een verwijzing naar een bekend gedicht van Samuel Taylor Coleridge (1772-1834), The Rime of the Ancient Mariner – De Ballade van de Oude Zeeman – dat werd gepubliceerd in 1798 in een poëziebundel met als titel The Lyrical Ballads, een bundel die Coleridge schreef samen met William Wordsworth (1770-1850). The Lyrical Ballads wordt vaak beschouwd als het begin van de romantiek in de Engelse letteren.
De Ballade van de Oude Zeeman vertelt in detail over de ervaringen van een zeeman die terugkeert van een lange zeereis. De zeeman houdt een man staande die op weg is naar een huwelijkssluiting en begint zijn verhaal te vertellen. De reactie van de huwelijksgenodigde gaat van geamuseerdheid naar ongeduld naar angst naar fascinatie als het verhaal verder gaat, wat ook blijkt uit de stijl en het taalgebruik in het gedicht (overgenomen van Wikipedia).
De Nieuwe Zeeman van het gedicht bevindt zich het liefst in de stilte. Die stilte is voor hem rijk is aan interactie met de natuur, met het goddelijke in de natuur. En daarover vertelt hij anderen met woorden.
Maar het gepraat over die stilte wordt al gauw zinloos en verliest de betekenis die de zeeman erin ervaart. Het blijkt meestal een rationeel verhaal te zijn waarin feit gekoppeld wordt aan feit, en waarin de kern verloren gaat.
De enige ruimte die de ik-figuur nog overblijft is de God-ruimte, een term die (vermoed ik) ontleend is aan de theoloog Paul Tillich die net als Thomas veel heeft nagedacht over afwezigheid en aanwezigheid van God in de moderne wereld.
Aan deze ruimte wordt dan de beeldspraak van de astronaut ontleend, een figuur die – net als De Nieuwe Zeeman – al gauw verstrikt raakt in door de rede gedicteerd zinledig gepraat, druk als hij zich maakt om passerende genodigden die op weg zijn naar het huwelijk van het ene kale feit met het andere.
Het gedicht staat op p.388 van The Collected Poems 1945-1990. Het stond oorspronkelijk in de bundel Between Here and Now (1981).
In de stilte die het medium is waarin hij bij voorkeur communiceert en waarover hij anderen vertelt met woorden. Kun je eraan ontkomen een speelbal te zijn van de rede? Voor mij is er nu alleen nog de God-ruimte waarin ik mijn sondes uitzend. Ik had uitgekeken naar de oude dag als een tijd van rust, een tijd om m’n horizonnen om me heen te trekken, herinneringen te zien rijpen in het zonlicht van een ommuurde tuin. Maar er is een leegte boven mijn hoofd, er zijn de diepten binnen in mij waaruit onvermoeibaar signalen komen. Als astronaut die onmogelijke reizen aflegt naar de verste uithoeken van het ik, keer ik terug met boodschappen die ik niet kan ontcijferen, ben er babbelziek over, maak me druk over de passerende auto die driftig op weg is naar het huwelijk van kaal feit met kaal feit.
Origineel
The New Mariner
In the silence that is his chosen medium of communication and telling others about it in words. Is there no way not to be the sport of reason? For me now there is only the God-space into which I send out my probes. I had looked forward to old age as a time of quietness, a time to draw my horizons about me, to watch memories ripening in the sunlight of a walled garden. But there is the void over my head and the distance within that the tireless signals come from. And astronaut on impossible journeys to the far side of the self I return with messages I cannot decipher, garrulous about them, worrying the car of the passer-by, hot on his way to the marriage of plain fact with plain fact.
R.S. Thomas in tweevoud (afbeelding komt voor op de omslag van de bundel Uncollected Poems)
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).
[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]
R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):
“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”
Het door mij vertaalde gedicht beschrijft een aantal eeuwen, de vijftiende tot en met de twintigste. Elke eeuw wordt kort gekarakteriseerd, waarbij ik me wel een paar vrijheden heb veroorloofd bij de vertaling: ‘een woordenschat stropen uit de lach van de koning’, leek me in het Nederlands minder geslaagd.
Het gedicht mondt uit in de twintigste eeuw, een eeuw die weinig begrenzingen kende: zowel in positieve zin – wetenschap en techniek ontwikkelden zich op een duizelingwekkende manier – als in negatieve zin: de moordpartijen tartten eveneens elke verbeelding. R.S. Thomas legt in het afsluitende distichon impliciet een verband tussen beide vormen van grenzeloosheid.
Het gedicht is te vinden in de Collected Poems 1945-1990, Londen: Phoenix 2000, p.416. Eerder uitgegeven door J.M. Dent in 1993.
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
Eeuwen
De vijftiende komt langs met trommel en kuras; de monnik slaat het gade door het rooster van de geest.
De zestiende zet zijn pet op, verheft luide zijn stem om zinnigheid te ontfutselen aan de lach van de koning.
De zeventiende draagt om zijn nek een kanten kraag, vlees dat zich afwendt van de vlam van de geest.
De achttiende heeft hoge koorts en suizend bloed, Maar reinigt zijn neusgat met een snuifje puntigheid.
De negentiende komt uit die oude grotten tevoorschijn Zijn ogen uitwrijvend bij een uitzicht van glas.
De twintigste is waarnaar hij zo uitkeek Zijn vleugels stukslaand tegen een raam dat ontbreekt.
Origineel
Centuries
The fifteenth passes with drums and in armour; the monk watches it through the mind’s grating.
The sixteenth puts on his cap and bells to poach vocabulary from a king’s laughter.
The seventeenth wears a collar of lace at its neck, the flesh running from thought’s candle.
The eighteenth has a high fever and hot blood, but clears it nostrils with the snuff of wit.
The nineteenth emerges from history’s cave rubbing its eyes at the glass prospect.
The twentieth is what it looked forward to beating its wings at windows that are not there.
Ten geleide Dit is de vertaling van een artikel in City Journal, een Amerikaans tijdschrift dat als webpublicatie verschijnt, geschreven door Theodore Dalrymple (pseud. van Anthony Daniels):‘A Man Out of Time‘, 6 november 2006
Dalrymple’s stuk is een beschouwing/recensie naar aanleiding van: Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R.S.Thomas, Londen: Aurum Press, 2006.
Ik heb de afgelopen jaren een kleine vijftig gedichten van de Welshe dichter Ronald Stuart Thomas (1913-2000) vertaald. De eerste persoon die mij op diens werk attendeerde was de conservatieve publicist Theodore Dalrymple (1949-). Ik heb dat stuk vertaald omdat het me nog steeds ontroert als ik het lees.
Thomas heeft de naam een grimmige figuur te zijn, maar u zult zien dat dit stuk een paar heel tedere gedichten bevat.
Ik ben het niet helemaal eens met Dalrymple’s positieve beoordeling van de biografie zoals u ook kunt nalezen in de recensie die ik zelf van die biografie heb geschreven: Over een biografie van R.S. Thomas – The Man Who Went Into the West. Maar ik vind de karakterisering die Dalrymple geeft van Ronald Stuart Thomas en de manier waarop hij die karakterisering aannemelijk maakt en illustreert met gedichten wel bijzonder geslaagd.
Ik ben niet bijzonder frivool, maar zodra ik de poëzie van R.S. Thomas lees, of zijn biografie, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat ik, net als de meeste mensen, het grootste deel van mijn leven valse goden heb nagejaagd. Thomas had een soortgelijk effect op anderen: John Betjeman zei in zijn inleiding op de eerste gedichtenbundel van R.S. Thomas die door een grote uitgever werd uitgegeven (in 1955) dat Thomas nog zou voortleven lang nadat hij, Betjeman, vergeten was. En een jaar later zei Kingsley Amis over het werk van Thomas dat het “de meeste moderne poëzie reduceert tot triviale gekkigheid.” Deze loftuitingen doen denken aan de woorden die Joseph Haydn, na ontvangst van de zes strijkkwartetten die Mozart aan hem opdroeg, aan diens vader schreef: “Ik zweer voor God, en als een eerlijk man, dat uw zoon de grootste componist is die ik ken, persoonlijk of van naam.”
R.S. Thomas
Ronald Stuart Thomas was een van de uitzonderlijkste literaire figuren van de twintigste eeuw. Hij werd geboren in 1913 en stierf in 2000. Zijn hele werkzame leven was hij anglicaans priester in afgelegen parochies in Wales. Hij schreef in het Engels en sprak met het accent van een Engelsman uit de hogere klasse (wat hij van geboorte niet was). Ondanks het feit dat Engelse adellijke titels indruk op hem maakten, was hij een felle, zelfs fanatieke Welshe nationalist die op zijn dertigste Welsh leerde en soms net deed alsof hij geen Engels sprak. Hoewel hij een christen was, was hij lang niet altijd menslievend. Hij stond bekend om zijn sociale onhandigheid en zwijgzaamheid; de meeste foto’s tonen hem als angstaanjagend, slechtgehumeurd en zichtbaar humorloos.
Mildred Eldridge. Dance of Life 3 Copyright: Gwydion Thomas; Supplied by The Public Catalogue Foundation
Hij huwde een kunstenares met wie zijn relatie, bezien uit het perspectief van gewone stervelingen, heel merkwaardig was. Ze spraken nauwelijks met elkaar; niemand zag ooit dat ze elkaar aanraakten; hun levens liepen meestal parallel maar ze kruisten elkaar af en toe. Ze leefden van een klein inkomen, zonder modern comfort. Bijna de enige huishoudelijke gemaksvoorziening die Thomas ooit bezat was een koelkast, waar hij al snel weer afstand van deed omdat het ding te veel lawaai maakte. Toen hij als priester met emeritaat ging, verhuisden ze naar een piepklein, onverwarmd huisje in een van de mooiste delen van Wales, waarin de temperatuur echter soms onder het vriespunt zakte.
Thomas was zeer productief en schreef meer dan 1500 gedichten. Hoewel zijn gedichten modernistisch van vorm zijn en zich bezighouden met de diepste lagen van het menselijk bestaan, raken ze onmiddellijk het gevoel. Hun taal is eenvoudig, hun weerklank diep. Aan het eind van zijn leven werden er van zijn nieuwe bundels 20.000 exemplaren verkocht in Groot-Brittannië – een enorm aantal voor iemand wiens eerste boek op eigen kosten werd gedrukt door een klein drukkerijtje boven een viswinkel in Carmathen, en een bevestiging dat niet alleen het clichématige of triviale goed verkoopt. Ook al was zijn uiterlijke leven niet veelbewogen en is er geen aanleiding om er een van die gigantische literaire biografieën aan te wijden die tegenwoordig in de mode zijn (als er al een leven is dat zoiets rechtvaardigt), een man als Thomas is van groot belang en betekenis.
Deze biografie – geschreven door iemand die Welsh als moedertaal heeft en die in 1960 als student Thomas voor het eerst ontmoette toen de dichter nog maar net bekend was geworden – is precies van de juiste lengte: de lezer hoeft niet een al te groot deel van zijn eigen leven opzij te zetten of alle andere bezigheden op te geven om het te lezen. De auteur heeft in het oog gehouden dat het doel van een dichtersbiografie is om het werk te belichten, en dit boek slaagt daar goed in. Omdat het onderwerp zowel onalledaags als briljant is, is het boek zeer onderhoudend.
Is er één thema dat aan Thomas’ leven en werk ten grondslag ligt en dat al diens tegenstrijdigheden met elkaar verzoent? Ik denk dat we het kunnen vinden in een essay dat hij in 1946 schreef voor een klein nationalistisch tijdschrift in Wales. “Zijn niet driekwart van onze moderne kwalen,” vroeg hij, ”te wijten aan het feit dat we vergeten zijn hoe we moeten leven …?” En we zijn vergeten hoe we moeten leven omdat we weelde en lichamelijke gemakken hebben aanbeden en God de rug hebben toegekeerd. Thomas’ politieke antwoord op deze moderne zielloosheid en op de moderne vernietiging van het Welshe platteland door wegen, bouwprojecten en vakantiegangers, was het Welshe nationalisme dat een sterke preoccupatie met het verleden heeft. Voor hem vertegenwoordigde Engeland de moderniteit en dus alles wat zielloos, oppervlakkig, mechanisch, materialistisch, vulgair en ijdel is. Het observeren van de schoonheid van de natuur, vooral het landschap en de vogels, was voor hem een spirituele oefening, een herinnering dat God ons alles heeft gegeven wat we nodig hebben voor een vervuld leven, als we er maar aandacht voor hebben. Niemand kon zeggen dat hij niet probeerde te leven naar zijn credo.
Thomas voerde zijn haat tegen de moderne wereld tot schijnbaar absurde hoogten op. De biograaf interviewde zijn enige zoon, die duidelijk niet veel om zijn vader gaf (hij woont nu in Thailand met zijn Thaise vrouw, zeker niet het lot dat een nationalist uit Wales hem zou toewensen). Zijn zoon zei: “Als zoon van een predikant moest ik verplicht naar de kerk om naar hem te luisteren terwijl hij maar doordramde over het kwaad van koelkasten.” “Koelkasten?” vroeg de biograaf ongelovig. “Dat zal toch wel niet.”
The Ogre of Wales
“Oh ja, dat deed hij wel, het was de Machine, weet je,” antwoordde de zoon. “En wasmachines. En televisies. En dit tegen een gemeente die geen van deze dingen bezat en ernaar verlangde.”
Het is gemakkelijk om hier om te lachen (en de dichter Philip Larkin verwees in zijn brieven naar R. S. Thomas als stomvervelende zeurpiet [Arsewipe Thomas]). Maar in feite stelde Thomas een diepe vraag waar geen antwoord op kwam: Waar dient het leven voor? Is het alleen maar om meer te consumeren en onszelf te verdoven met steeds meer vertier en gadgets? Wat doet dit met onze ziel? In een vroeg gedicht beschrijft Thomas een boer uit Wales, apetrots op zijn nieuwe tractor:
Ah, je moest Cynddylan eens zien op een tractor. Weg is het oude beeld dat hem aan de aarde bond; Een nieuwe mens is hij nu, deel van de machine, De zenuwen van staal, het hart pompt olie rond. De koppeling raast, de versnelling gehoorzaamt Zijn kleinste bevel, en kijk, hij rijdt weg, Van het erf, de kippen verstrooiend. Rijdend naar zijn werk, zoals het een groot man betaamt, Is hij de gehelmde ridder die de rust van het veld, Spiegel van stilte, doorbreekt, hij die ‘t bos ontdoet Van vossen en eekhoorns en felle gaaien. Boven de hoge bomen rijst nu zonnegloed, Die hagen laat oplichten, maar niet voor hem Die zijn motor laat lopen op geheel andere brandstof. En alle vogels zingen, vergeefs hun snavels wijd, Als Cynddylan trots het weggetje oprijdt.
[Origineel:]
Cynddylan on a Tractor
Ah, you should see Cynddylan on a tractor. Gone the old look that yoked him to the soil; He is a new man now, part of the machine, His nerves of metal, and his blood oil. The clutch curses, but the gears obey His least bidding, and lo, he’s away Out of the farmyard, scattering hens. Riding to work now as a great man should, He is the knight at arms breaking the fields’ Mirror of silence, emptying the wood Of foxes and squirrels and bright jays. The sun comes over the tall trees Kindling all the hedges, but not for him Who runs his engine on a different fuel. And all the birds are singing, bills wide in vain, As Cynddylan passes proudly up the lane.
We kunnen natuurlijk twisten over de vraag of er ooit wel zo’n spirituele harmonie heeft bestaan, waarbij de mens volledig één was met alle taken die uitgevoerd moesten worden om zijn zware bestaan aan de aarde te ontrukken. Maar het gedicht wijst er in ieder geval op dat vooruitgang zoals uitgebeeld door de tractor ook verlies met zich meebrengt, in dit geval een ernstig verlies, en dat een opeenstapeling van steeds meer tractorachtige apparaten (koelkasten, wasmachines, televisies, enzovoort) niet het goede leven vormt. Want als we al deze dingen uiteindelijk hebben, rijzen nog steeds de vragen: “Wat nu?” en “Hoe moeten we leven?” en “Waarom zouden we tevreden moeten zijn met meer van hetzelfde?” Aan alle gedichten van Thomas ligt een onderzoek naar de existentiële behoeften van de mens ten grondslag, en het bange vermoeden dat de mens deze volkomen verkeerd begrepen heeft, waardoor diens hele persoonlijkheid misvormd wordt. Daarom lijkt Thomas altijd zo intens individueel, altijd een minderheid van één, zelfs in zijn huwelijk. Hij heeft de intensiteit van een profeet en het meesterschap van een dichter – opmerkelijke eigenschappen in de tweede helft van de twintigste eeuw.
Byron Rogers – foto van Facebook
De auteur van de biografie is grappig zonder respectloos te zijn. Hij laat zien dat Thomas over een droge humor beschikte en hij brengt ook de diepte van zijn karakter goed over. Hij begrijpt dat Thomas, ondanks zijn uiterlijke froideur [kilheid] (hij leek vaak de voorkeur te geven aan vogels kijken boven menselijk gezelschap), een man was met een diepgaand gevoelsleven, iets wat onze tijd van uitbundige zelfexpressie misschien moeilijk kan begrijpen of zelfs maar geloven.
Het verslag van de dood van zijn vrouw in 1991 is buitengewoon ontroerend. Ze was al lange tijd ziek. Haar slaapkamer in hun kleine huisje – dat geen voorzieningen had, naast een uitzicht dat zo mooi was dat mijn hart een keer overslaat als ik eraan denk – was bereikbaar via een ladder. Hij bracht haar thuis uit het ziekenhuis toen duidelijk werd dat ze niet meer beter kon worden, en hij droeg haar “zelf de ladder op zoals hij een bruid zou dragen,” en dat terwijl hij net een hernia-operatie had ondergaan (hij was toen 78, zij 82). Ze stierf vier dagen later.
Na haar dood schreef hij liefdesgedichten die buitengewoon teder zijn:
[Hier vindt u nog wat toelichting bij de vertaling.]
Ze liet me alleen. Van wie was die stem, kouder dan grafwind, die sprak “Het is voorbij”? Ongrijpbaar, onzichtbaar, komt ze nog bij me, zoals ze vaak deed, terwijl ik wat lees. Er is een beving van licht, als van een vogel die de zonnebaan kruist, en ik kijk op in herkenning van een afwezige aanwezigheid. Geen woord, geen geluid als ze haar gang gaat, maar een geur die blijft hangen, geur van de tijd die zichzelf offert in liefdesvuur.
[Origineel:]
No Time
She left me. What voice colder than the wind out of the grave said: “It is over?” Impalpable, invisible, she comes to me still, as she would do, and I at my reading. There is a tremor of light, as of a bird crossing the sun’s path, and I look up in recognition of a presence in absence. Not a word, not a sound, as she goes her way, but a scent lingering which is that of time immolating itself in love’s fire.
En, zelfs met nog meer tederheid:
[Hier vind u nog wat toelichting bij de vertaling.]
Een Huwelijk Wij troffen elkaar onder een stortbui van vogelklanken. Vijftig jaar verliepen, moment van Liefde in een wereld onderhorig aan de tijd. Ze was jong; ik kuste haar met mijn ogen dicht en toen ik ze opsloeg zag ik haar rimpels. “Kom” zei de dood, haar uitverkiezend als zijn partner voor de laatste dans. En zij, die bij leven alles deed met de gratie van een vogel, opende nu haar snavel voor het slaken van een zucht, niet zwaarder dan een veertje.
[Origineel:]
A Marriage
We met under a shower of bird-notes. Fifty years passed, love’s moment in a world in servitude to time. She was young; I kissed her with my eyes closed and opened them on her wrinkles. “Come” said death, choosing her as his partner for the last dance. And she, who in life had done everything with a bird’s grace, opened her bill now for the shedding of one sigh no heavier than a feather.
Dit is des te opmerkelijker omdat, volgens de gedichten die Thomas in de loop der jaren schreef, hun huwelijk bepaald geen sprookje was. Sterker nog, hij en zijn vrouw hadden het huwelijk bijna koeltjes gesloten, zonder verwachtingen van romantische gelukzaligheid:
[Vertaling:]
Ik zag haar – we waren jong – en spreidde instinctief de weelde van mijn vedertooi om aandacht. Ze werd niet misleid, maar ze aanvaardde mij – zoals een meisje dat onder een zuinig maantje soms doet zonder veel liefde – als iemand met wie je een thuis kunt maken voor het kind waar ze vandroomde.
[Origineel:]
I saw her, when young, and spread the panoply of my feathers instinctively to engage her. She was not deceived, but accepted me as a girl will under a thin moon, in love’s absence as someone she could build a home with for her imagined child.
Vijftig jaar nadat ze getrouwd waren, schreef hij:
[Vertaling:]
Samenzijn van koude handen, de ogen afgewend als geloften worden afgelegd zonder dat een woord klinkt. Geleidelijk aan na vijftig lange jaren met ingehouden adem is het hart warm geworden.
[Origineel:]
Cold hands meeting, the eyes aside as vows are contracted in the tongue’s absence. Gradually over fifty long years of held breath the heart has become warm.
Ik betwijfel of er een huwelijk is dat voor de moderne ontvankelijkheid afstotelijker is dan dit huwelijk: een simpele calculatie bij de één die uitgroeit tot een onopvallende, maar diepe emotie. Juist omdat zulke relaties zo ver van ons afstaan of onalledaags zijn, is het de moeite waard om erover na te denken.
Thomas was een man van grote ernst – ernstig, niet zwaar op de hand of alleen maar eerlijk. Hij worstelde tot het einde van zijn leven om God te vinden, niet in de zin van halleluja-roepende born again-christenen, maar in de vorm van een heuse zoektocht naar de zin van het bestaan:
[Het betreft het gedicht The New Mariner. Het complete gedicht met vertaling en wat toelichting treft u hier aan.]
[Vertaling:]
Voor mij is er nu alleen nog de God-ruimte waarin ik mijn sondes uitzend. Ik had uitgekeken naar de oude dag als een tijd van rust, een tijd om m’n horizonnen om me heen te trekken, herinneringen te zien rijpen in het zonlicht van een ommuurde tuin. Maar er is een leegte boven mijn hoofd, er zijn de diepten binnen in mij waaruit onvermoeibaar signalen komen. Als astronaut die onmogelijke reizen aflegt naar de verste uithoeken van het ik, keer ik terug met boodschappen die ik niet kan ontcijferen …
…
[Origineel:]
For me now there is only the God-space into which I send out my probes. I had looked forward to old age as a time of quietness, a time to draw my horizons about me, to watch memories ripening in the sunlight of a walled garden. But there is the void over my head and the distance within that the tireless signals come from. And astronaut on impossible journeys to the far side of the self I return with messages I cannot decipher …
Weinig mensen leefden intenser dan Thomas, hoewel hij de windstreken van het kleine Noord-Wales zelden verliet. Al zijn relaties waren intens, zonder aandacht te trekken. Hij voelde een bittere haat jegens zijn moeder – de reden is niet helemaal duidelijk (maar ik vermoed omdat ze zo alledaags was). Toch mocht ze aan het eind van haar leven bij hem en zijn vrouw in komen wonen.
[Vertaling:]
We zorgden dat ze door kon leven, niet zozeer uit liefde voor haar, maar uit afkeer van de dood.
[Origineel:]
We made her live on, not out of our affection for her, but from a dislike of death.
Deze eerlijkheid wekt bijna de indruk dat er een huid wordt afgestroopt, maar verzoening komt aan het einde:
[Vertaling:]
De ambulance kwam om ons te verlossen van de besognes van haar lichaam; ze werd overgedragen van de onkunde die ons geweten teisterde naar de zoveel zuiverder ziekenhuiszorg. Daar nam ik toen nog haar hand en maakte een strak koordje van onze vingers om de misvormde gevoelens daarmee wat steun te geven.
[Origineel:]
The ambulance came to rescue us from the issues of her body; she was delivered from the incompetence of our conscience into the hospital’s cleaner care. Yet I took her hand there and made a tight-rope of our fingers for the misshapen feelings to keep their balance upon.
Er zijn maar weinig levens, zeker van hedendaagse figuren, die ons zo hevig naar binnen doen kijken als het leven van Thomas. Deze korte biografie is de best denkbare introductie tot zijn werk.