Tagarchief: Berkel en Rodenrijs

De jongen met de lange messen

Toen ik een kleine jongen was en op de ‘lagere school’ zat (jaren ’70), fietste ik dagelijks op neer langs de Klapwijkseweg. Dat was destijds – en het is nog steeds – een weg tussen Berkel en Rodenrijs en Pijnacker. Op de hoek van de Meerweg en de Klapwijkseweg – net in de Meerpolder – lag de tuinderij van mijn vader – vader Bram – en diens beide broers, oom Gerard en oom Dirk. Op die tuinderij stonden kassen, en in die kassen werden rozen geteeld – dat waren snijbloemen.

Mijn grootmoeder van vaderszijde heette Klapwijk, en ze had tien zussen (geloof ik) en één broer die allemaal trouwden, kinderen kregen en in Berkel en Rodenrijs bleven wonen, en daarom zat de genoemde lagere school vol met achterneven en achternichten.

Ik wil niet opscheppen over mijn gereformeerde jeugdtrauma’s, maar al die achterneven en achternichten waren – net als ikzelf – vrijgemaakt-gereformeerd. Iedereen ging twee keer per zondag naar de kerk, en omdat het kerkgebouw niet groot genoeg was, waren er twee diensten in de morgen en twee diensten in de middag.

Fietsend langs de Klapwijkseweg droomde ik vaak dat er oneindig lange messen aan mijn vingers zaten. En soms spreidde ik mijn vingers tijdens het fietsen, en dan wist ik dat in alle huizen waar ik langs kwam de mensen bloedend dubbel klapten, want mijn messen sneden dwars door die huizen en die mensen.

Een erg aardig iemand kan ik niet geweest zijn.