Tagarchief: Alain Sokal

Intellectuele schijnbewegingen – Alain Sokal en Jean Bricmont (3 – slot)

Logo VGSW (met de openingszin van het Latijnse verenigingslied dat geschreven en gecomponeerd werd door de vrijgemaakte predikant P. Deddens)

Dit is het derde en laatste deel van een driedelige serie over de Sokal-affaire en het boek dat Sokal en Bricmont daarover geschreven hebben: Intellectual Impostures – intellectuele schijnbewegingen.

Hier is deel 1.

Hier is deel 2.

Toen ik een jaar of twintig was, schreef ik mijn eerste artikel dat gepubliceerd werd in het blaadje van de VGSW – de Vereniging van Gereformeerde Studenten in Wageningen: de Melkbus. Het was een vrij uitgebreide en vernietigende bespreking van een artikel dat eerder dat jaar was verschenen in de lustrumbundel van diezelfde vereniging.

Ik moet bekennen dat het boek van Sokal en Bricmont mij sterk heeft doen denken aan die tijd. Uiteraard niet omdat mijn bespreking van destijds hetzelfde niveau had, maar omdat mijn bespreking wel dezelfde intentie had: ontmaskering van pretentie, opgeblazenheid, onleesbaarheid, prietpraat.

Hoofdstuk vier van Intellectual Impostures behandelt het onderwerp Epistemic Relativism in the Philosophy of Science – kentheoretisch relativisme in de wetenschapsfilosofie.

Het centrale punt van dit hoofdstuk is: bestaat er een echte werkelijkheid buiten wat onze zintuigen aan ons doorgeven? Is de werkelijkheid reëel, of is die slechts een illusie die we door ons gebabbel en ons gedrag met elkaar in stand houden.

De auteurs nemen uiteraard aan dat er een werkelijkheid is waar we iets over te weten kunnen komen, want anders zou elke wetenschapsbeoefening futiel zijn. En trouwens, als de werkelijkheid niet zou bestaan, zouden ook heel veel alledaagse gedragingen totaal onbegrijpelijk worden.

Ze onderscheiden allereerst solipsisme en radicaal skepticisme. Over solipsisme – de overtuiging dat er niets anders bestaat dan de ervaring in de geest van de waarnemer (Harry Mulisch kwam er dicht bij in de buurt) – zijn de auteurs kort: ze beschouwen deze niet als een serieuze intellectuele positie. Het is in hun ogen niet mogelijk om deze positie te goeder trouw in te nemen.

Maar ook het radicale skepticisme van David Hume verschilt volgens hen niet werkelijk van het solipsisme. “The universality of Humean scepticism is also its weakness.” Dit skepticisme is fundamenteel onweerlegbaar. Maar de meest voor de hand liggende manier om de samenhang van onze ervaringen te verklaren is door aan te nemen dat er een werkelijkheid buiten onze zintuigen bestaat.

De auteurs gebruiken een aantal argumenten om hun positie te staven. In de kern nemen ze het gezonde verstand als uitgangspunt: wat in het normale leven geldig is, is dat meestal ook in de wetenschap, ook al zijn wetenschappelijke conclusies vaak veel subtieler, en zijn die conclusies zeker wel eens strijdig met datzelfde gezonde verstand.

Vervolgens binden de auteurs de strijd aan met de rol die Kuhn (paradigma’s) en Feyerabend (Anything goes) hebben gespeeld in de discussie over kentheoretisch skepticisme.

De auteurs wijden ook een beschouwing over het veelvuldige misbruik dat wordt gebruikt van het Theorema van Gödel en de Verzamelingenleer.

Ten slotte: in hun epiloog verdedigen de auteurs een aantal stellingen:

  1. Zorg dat je weet waarover je praat.
  2. Niet alles wat moeilijk te begrijpen is, is ook diepzinnig.
  3. Wetenschap is geen ‘tekst’.
  4. Het naäpen van de natuurwetenschappen is een slecht idee.
  5. Gebruik geen autoriteitsargumenten.
  6. Verwar nooit specifieke vormen van skepsis met radicaal skepticisme.
  7. Gebruik dubbelzinnigheid of ambiguïteit nooit als truc of uitvlucht.

Erg opzienbarend zijn die stellingen niet, maar ze verdienen het wel om van tijd tot tijd herhaald te worden.

[Slot]

PS Hierbij een scan van de oorspronkelijke hoax – let ook op de uitgebreide literatuurlijst.

Intellectuele schijnbewegingen – Alain Sokal en Jean Bricmont (2)

Dit is het tweede deel van een driedelige serie over de Sokal-affaire en het boek dat Sokal en Bricmont daarover geschreven hebben: Intellectual Impostures – intellectuele schijnbewegingen.

Hier is deel 1.

Hier is deel 3.

Een groot deel van het boek is gewijd aan verschillende auteurs bij wie de auteurs het begripsmisbruik hebben geconstateerd waar hun boek over gaat. De hoofdstukken waar ze voorbeelden van dit misbruik bespreken zijn vrijwel niet samen te vatten. Het betreft forse citaten waarop de auteurs kort commentaar geven, met daarnaast wat uitgebreider commentaar in de voetnoten.

Wat bedoelen Sokal en Bricmont met misbruik van begrippen:

  1. Uiteenzettingen over theorieën die eigenlijk niet of maar heel vaagjes begrepen worden.
  2. Het toepassen van begrippen uit de natuurwetenschappen op sociaal- of literatuurwetenschappelijke of filosofische problemen zonder ook maar de geringste argumentatie waarom die begrippen in die domeinen van toepassing zouden kunnen zijn.
  3. Het tonen van nutteloze eruditie door termen rond te strooien die totaal irrelevant zijn voor de problemen waarop ze licht zouden moeten werpen.
  4. Inhoudsloze frasen gebruiken, wolligheid, woorddronkenheid.

De auteurs die een eigen hoofdstuk toebedeeld krijgen zijn: Jacques Lacan, Julia Kristeva, Luce Irigaray, Bruno Latour, Jean Baudrillard, Gilles Deleuze & Félix Guattari (samen behandeld in één hoofdstuk) en Paul Virilio.

Ik citeer de slotzinnen – soms de passage die er net aan vooraf gaat – van de betreffende hoofdstukken:

Lacan

… Lacan’s writings became, over time, increasingly cryptic – a characteristic to many sacred texts – by combining plays on words with fractured syntax; and they served as a basis for the reverent exegesis undertaken by his disciples. One may the wonder whether we are not, after all, dealing with a new religion.

[… Lacan’s teksten werden, na verloop van tijd, steeds cryptischer – een kenmerk van veel heilige teksten – door de combinatie van woordspeligheid met een gebrekkige (of afgebroken) zinsbouw; en ze dienden als basis voor de eerbiedige exegese die zijn discipelen eraan wijdden. Je kunt je afvragen of we hier uiteindelijk niet te maken hebben met een nieuwe religie.]

Kristeva

But the main problem raised by these texts is that she makes no effort to justify the relevance of these mathematical concepts to the fields she is purporting to study – linguistics, literary criticism, political philosophy, psychoanalysis – and this, in our opinion, is for the very good reason that there is none. Her sentences are more meaningful than those of Lacan, but she surpasses even him for the superficiality of her erudition.

[Maar het grootste probleem van deze teksten is dat ze geen enkele poging doen om de relevantie van deze wiskundige concepten te rechtvaardigen voor de gebieden die zouden zijn bestudeerd – linguïstiek, literaire kritiek, politieke filosofie, psychoanalyse – en dit is – denken wij – om de voor de hand liggende reden dat die relevantie ontbreekt. Haar zinnen hebben meer betekenis dan die van Lacan, maar ze is nog erger dan hij in de oppervlakkigheid van haar eruditie.]

Irigaray

The roots of the tree of science may be bitter, but its fruits are sweet. To say that women should shun a universal science amounts to infantilize them. To link rationality and objectivity to the male, and emotion and subjectivity to the female, is to repeat the most blatant sexual stereotypes. Speaking of the female ‘sexual economy’ from puberty to menopause, Irigaray writes:

But every stage in this development has its own temporality, which is possibly cyclic and linked to cosmic rhythms. If women have felt so terribly threatened by the accident at Chernobyl, that is because of the irreducible relation of their bodies to the universe.

Here Irigaray falls straight into mysticism. Cosmic rhytms, relation to the universe – what on earth is she talking about? To reduce women to their sexuality, menstrual cycles, and rhythms (cosmic or not) is to attack everything the feminist movement has fought for during the last three decades. Simone de Beauvoir must be turning in her grave.

[De wortels van de boom der wetenschap mogen dan bitter zijn, de vruchten zijn zoet. Zeggen dat vrouwen zich moeten afkeren van de wetenschap met haar universele geldigheid, betekent dat je hen infantiliseert. Rede en objectiviteit koppelen aan de man, en emotie en subjectiviteit aan de vrouw, is een terugkeer van de lompste geslachtelijke stereotypen. Als ze het heeft over de vrouwelijke ‘seksuele economie’ van puberteit tot menopauze, schrijft Irigaray:

Maar elk stadium in deze ontwikkeling heeft zijn eigen tijdshorizon, die mogelijk cyclisch is en verbonden met kosmische ritmes. Toen vrouwen zich zo vreselijk bedreigd voelden door de ramp in Tsjernobyl, kwam dat door de unieke relatie van hun lichaam met het universum.

Hier vervalt Irigaray regelrecht in mysticisme. Kosmische ritmes, relatie met het universum – waar heeft ze het in hemelsnaam over? Vrouwen reduceren tot hun seksualiteit, menstruatiecycli en ritmes (kosmisch of niet) is een aanval op alles waar de feministische beweging de afgelopen drie decennia voor heeft gevochten. Simone de Beauvoir draait zich vast om in haar graf.]

Latour

In conclusion, Latour confuses the pedagogy of relativity with the ‘technical content’ of the theory itself. His analysis of Einsteins semi-popular book could, at best, elucidate Einstein’s pedagogical and rhetorical strategies – an interesting project, to be sure, albeit a rather more modest one than showing that relativity theory is itself ‘social through and through’. But, even to analyse the pedagogy fruitfully, one needs to understand the underlying theory in order to disentangle the rhetorical strategies from the physics content in Einstein’s text. Latour’s analysis is fatally flawed by his inadequate understanding of the theory Einstein is trying to explain.

[Tot slot verwart Latour het uitleggen van relativiteit met de ‘technische inhoud’ van de theorie zelf. Zijn analyse van Einsteins populairwetenschappelijke boek zou in het beste geval Einsteins pedagogische en retorische strategieën kunnen verhelderen – een interessant project, dat zeker, zij het een wat bescheidener project dan proberen aan te tonen dat de relativiteitstheorie zelf ‘door en door sociaal’ is. Maar zelfs voor een vruchtbare analyse van de pedagogie moet je de onderliggende theorie begrijpen om de retorische strategieën te kunnen loskoppelen van de natuurkundige inhoud van Einsteins tekst. Latours analyse schiet volkomen tekort door zijn gebrekkige begrip van de theorie die Einstein probeert uit te leggen.]

Baudrillard

In summary, one finds in Baudrillard’s works a profusion of scientific terms, used with total disregard for their meaning and, above all, in a context where they are manifestly irrelevant. Whether or not one interprets them as metaphors, it is hard to see what role they could play, except to give an appearance of profundity to trite observations about sociology or history. Moreover, the scientific terminology is mixed up with a non-scientific vocabulary that is employed with equal sloppiness. When all is said and done, one wonders what would be left of Baudrillard’s thought if the verbal veneer covering it were stripped away.

[Samenvattend: je vind in de werken van Baudrillard een overweldigende hoeveelheid natuurwetenschappelijke termen die worden gebruikt zonder enige aandacht te schenken aan hun betekenis en ze komen vooral voor in een context waarin ze duidelijk irrelevant zijn. Of je ze nu interpreteert als metaforen of niet, het is moeilijk in te zien welke nuttige rol ze zouden kunnen spelen, behalve om een schijn van diepzinnigheid te geven aan platte observaties over sociologie of geschiedenis. Bovendien wordt de wetenschappelijke terminologie vermengd met een niet-wetenschappelijk vocabulaire dat al even slordig wordt gebruikt. Enfin, je vraagt je hoe dan ook in gemoede af wat er van Baudrillards denken zou overblijven als de uitbundige aankleding zou worden weggetrokken.]

Deleuze and Guattari

We are well aware that Deleuze and Guattari’s subject is philosophy and not the popularization of science. But what philosophical function can be fulfilled by this avalanche of ill-digested scientific (and pseudo-scientific) jargon? In our opinion, the most plausible explanation is that these authors possess a vast but very superficial erudition, which they put on display in their writings.

[We zijn ons er terdege van bewust dat het onderwerp van Deleuze en Guattari de filosofie is en niet de popularisering van de wetenschap. Maar welke filosofische functie kan deze stortvloed van slecht begrepen wetenschappelijk (en pseudowetenschappelijk) jargon vervullen? Volgens ons is de meest plausibele verklaring dat deze auteurs een weliswaar reusachtige, maar toch zeer oppervlakkige eruditie bezitten, die ze in hun geschriften tentoon spreiden.]

Virilio

Ze citeren een vreselijke passage uit het oeuvre van Virilio, en ze schrijven dan:

This paragraph – which in the French original is a single 193-word sentence, whose ‘poetry’ is unfortunately not fully captured by the translation – is the most perfect example of diarrhoea of the pen that we have ever encountered. And as far as we can see, it means precisely nothing.

[Deze paragraaf – die in het Franse origineel uit een enkele zin van 193 woorden bestaat, een zin waarvan de ‘poëzie’ die het bevat helaas niet volledig door de vertaling wordt weergegeven – is het zuiverste voorbeeld van pennedrek dat we ooit zijn tegengekomen. En voor zover we kunnen nagaan, betekent het werkelijk helemaal niets.]

Er zijn ook nog andere hoofdstukken, onder andere over kentheoretisch relativisme, daarover later meer.

Intellectuele schijnbewegingen – Alain Sokal en Jean Bricmont (1)

Dit is het eerste deel van een driedelige serie over de Sokal-affaire en het boek dat Sokal en Bricmont daarover geschreven hebben: Intellectual Impostures – intellectuele schijnbewegingen.

Hier is deel 2.

Hier is deel 3.

In 1996 verscheen een artikel van Alain Sokal in het lentenummer van het tijdschrift Social Text. Het was een opzienbarende ‘hoax’, en de titel luidde Transgressing the Boundaries: Towards a Transformative Hermeneutics of Quantum Gravity. Het nepartikel deed destijds veel stof opwaaien.

Social Text is een vrij bekend sociaalwetenschappelijk tijdschrift dat zich – zeker destijds – als postmodernistisch afficheerde. De titel van het artikel is al volstrekte nonsens, uiteraard, maar het gehele artikel was bovendien één grote gewichtig klinkende aaneenschakeling van absurditeiten, nonsensicale citaten uit het werk van bekende sociaalwetenschappelijke, literatuurwetenschappelijke en filosofische auteurs. Maar het werd wel in het tijdschrift gepubliceerd. Op de publicatiedatum onthulde Sokal meteen dat het een hoax betrof. De affaire staat bekend als de Sokal-affaire.

Sokal is een Amerikaans hoogleraar in de wiskunde en natuurkunde, die zich enorm had geërgerd aan de manier waarop postmodernistische filosofen als Bruno Latour, Julia Kristeva, Jean Baudrillard, Jacques Lacan, Luce Irigaray, Gilles Deleuze natuurwetenschappelijke begrippen gebruikten om hun inzichten te illustreren, zonder dat ze zich ook maar enigszins bekommerden om de betekenis van die begrippen. Ze leken deze begrippen vooral te gebruiken om indruk te maken.

In 1997 verscheen in Frankrijk Impostures Intellectuelles – intellectuele schijnbewegingen – een boek dat in 1998 vertaald werd als Intellectual Impostures, geschreven door Alain Sokal en Jean Bricmont. Bricmont is een Belgisch theoretisch natuurkundige.

Ik las de Engelse vertaling die enigszins verschilt van de Franse editie – onder andere ontbreekt het hoofdstuk over Henri Bergson omdat de auteurs dat hoofdstuk van minder belang achtten voor de Engelstalige academische wereld.

In hun voorwoord proberen de auteurs een aantal misverstanden de pas af te snijden. Het is geen aanval tegen ‘links’, het is geen integrale afkeuring van de sociale wetenschappen, het behelst geen afkeer van multiculturalisme, het is zelfs geen debat over de merites van het werk van de aangevallen auteurs. Wat Sokal en Bricmont wel probeerden te laten zien is dat de natuurwetenschappelijke citaten waarvan de aangevallen auteurs zich bedienen vaak geen enkele betekenis hebben in de context waarin ze gebruikt worden, dat er op groteske wijze misbruik wordt gemaakt van de gehanteerde begrippen, dat er bovendien geen enkel aannemelijk argument wordt aangevoerd waarom die natuurwetenschappelijke begrippen in een sociaalwetenschappelijke, literatuurwetenschappelijke of filosofische context überhaupt nodig zijn.

Een tweede doel van het boek is om te laten zien dat het kentheoretisch relativisme dat vrij algemeen is in de Engelstalige wereld niet deugt. Wetenschap is wel degelijk meer dan een ‘mythe’, een ‘narratief’, een ‘sociaal construct’ temidden van vele andere mythes, narratieven, sociale constructen.

[De komende dagen zal ik af en toe een vervolg op deze inleiding publiceren, hier op mijn kleine website.]