Inleiding Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).
[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint onder het hoofdje Gedicht met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]
R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):
“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”
Het gedicht Het door mij vertaalde gedicht – The New Mariner – is een karakteristiek Thomas-gedicht. Thomas’ religieuze preoccupaties zijn aanwezig, en tevens de moeilijkheden die dat met zich meebrengt.
De titel bevat een verwijzing naar een bekend gedicht van Samuel Taylor Coleridge (1772-1834), The Rime of the Ancient Mariner – De Ballade van de Oude Zeeman – dat werd gepubliceerd in 1798 in een poëziebundel met als titel The Lyrical Ballads, een bundel die Coleridge schreef samen met William Wordsworth (1770-1850). The Lyrical Ballads wordt vaak beschouwd als het begin van de romantiek in de Engelse letteren.
De Ballade van de Oude Zeeman vertelt in detail over de ervaringen van een zeeman die terugkeert van een lange zeereis. De zeeman houdt een man staande die op weg is naar een huwelijkssluiting en begint zijn verhaal te vertellen. De reactie van de huwelijksgenodigde gaat van geamuseerdheid naar ongeduld naar angst naar fascinatie als het verhaal verder gaat, wat ook blijkt uit de stijl en het taalgebruik in het gedicht (overgenomen van Wikipedia).
De Nieuwe Zeeman van het gedicht bevindt zich het liefst in de stilte. Die stilte is voor hem rijk is aan interactie met de natuur, met het goddelijke in de natuur. En daarover vertelt hij anderen met woorden.
Maar het gepraat over die stilte wordt al gauw zinloos en verliest de betekenis die de zeeman erin ervaart. Het blijkt meestal een rationeel verhaal te zijn waarin feit gekoppeld wordt aan feit, en waarin de kern verloren gaat.
De enige ruimte die de ik-figuur nog overblijft is de God-ruimte, een term die (vermoed ik) ontleend is aan de theoloog Paul Tillich die net als Thomas veel heeft nagedacht over afwezigheid en aanwezigheid van God in de moderne wereld.
Aan deze ruimte wordt dan de beeldspraak van de astronaut ontleend, een figuur die – net als De Nieuwe Zeeman – al gauw verstrikt raakt in door de rede gedicteerd zinledig gepraat, druk als hij zich maakt om passerende genodigden die op weg zijn naar het huwelijk van het ene kale feit met het andere.
Het gedicht staat op p.388 van The Collected Poems 1945-1990. Het stond oorspronkelijk in de bundel Between Here and Now (1981).
In de stilte die het medium is waarin hij bij voorkeur communiceert en waarover hij anderen vertelt met woorden. Kun je eraan ontkomen een speelbal te zijn van de rede? Voor mij is er nu alleen nog de God-ruimte waarin ik mijn sondes uitzend. Ik had uitgekeken naar de oude dag als een tijd van rust, een tijd om m’n horizonnen om me heen te trekken, herinneringen te zien rijpen in het zonlicht van een ommuurde tuin. Maar er is een leegte boven mijn hoofd, er zijn de diepten binnen in mij waaruit onvermoeibaar signalen komen. Als astronaut die onmogelijke reizen aflegt naar de verste uithoeken van het ik, keer ik terug met boodschappen die ik niet kan ontcijferen, ben er babbelziek over, maak me druk over de passerende auto die driftig op weg is naar het huwelijk van kaal feit met kaal feit.
Origineel
The New Mariner
In the silence that is his chosen medium of communication and telling others about it in words. Is there no way not to be the sport of reason? For me now there is only the God-space into which I send out my probes. I had looked forward to old age as a time of quietness, a time to draw my horizons about me, to watch memories ripening in the sunlight of a walled garden. But there is the void over my head and the distance within that the tireless signals come from. And astronaut on impossible journeys to the far side of the self I return with messages I cannot decipher, garrulous about them, worrying the car of the passer-by, hot on his way to the marriage of plain fact with plain fact.
Christian Wiman (1966- ) is een Amerikaanse dichter en vertaler. Hij werd geboren in Texas, is getrouwd, en werkt aan Yale University als Professor of the Practice of Religion and Literature. Hij geeft college aan Yale Divinity School en Yale Institute of Sacred Music. Hij is religieus in christelijke zin.
[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van Christian Wiman onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]
Wiman lijdt aan een traag voortschrijdende, ongeneeslijke ziekte. Het gedicht From one Time – elders op deze website in vertaling (Tijdsovergang) beschikbaar bevat de uitdrukking die de titel leverde van het door Willem Jan Otten vertaalde boek My Bright Abyss: Mijn heldere afgrond. De ondertitel van dat boek luidt: Meditation of a Modern Believer: Overpeinzingen van een moderne gelovige.
Uit Akkermans column citeer ik de volgende passage – degene die aan het woord is, is uiteraard Wiman zelf:
“Het geloof gidst me in de richting van een leven waarin ik tekortschiet, niet in een leven waarin alles me toevalt. Ik geloof dat je jezelf geen christen moet noemen, net zomin als dichter – het is iets dat je nastreeft, niet iets dat je bent. Het kan je gegeven zijn op momenten in je leven, maar in de tussentijd ben je er geen eigenaar van. Zoals ik zeg in het boek: ik heb de pijn van het ongeloof nooit gevoeld voordat ik begon te geloven. God is vaak pijn voor me, geen balsem.”
En nog een treffend citaat uit dat stuk, dit keer over het Amerikaanse geloof in jezelf dat het christelijke geloof corrumpeert:
Het Amerikaanse succesevangelie, met God als de leverancier van voorspoed, geluk en gezondheid, noemt Wiman onzinnig. “Het idee dat God je beloont als je geloof maar groot genoeg is, is in feite kwaadaardig. Ik moet zeggen dat het me erg verwart dat mijn leven enerzijds zo naar God en het christendom toe beweegt, terwijl ik anderzijds zo vervreemd ben van de manier waarop die religie in dit land wordt vormgegeven.”
En ten slotte nog een veelzeggend citaat uit He Held Radical Light (2018):
“Poetry itself—like life, like love, like any spiritual hunger—thrives on longings that can never be fulfilled, and dies when the poet thinks they have been. And what is true for the poem is true for the poet: “No layoff from this condensery,” as Lorine Niedecker says, no respite from the calling that comes in the form of a question, no ultimate arrival at an answer that every arrangement of words is trying to be. Perhaps only bad poets become poets. The good ones, though they may wax vatic and oracular in public, and though they may even have full-fledged masterpieces behind them, know full well that they can never quite claim the name.”
Een interessante lezing (ongeveer een half uur) over het onderwerp Geloof en Literatuur vindt u hier.
Het gedicht
Het door mij vertaalde gedicht – The Preacher Addresses the Seminarians – is een dramatische monoloog, een tirade eigenlijk, tegen een gemakzuchtig geloof dat maar al te vaak wordt aangemoedigd door gemakzuchtige preken. Het eindigt met een verrassende wending waarbij een bok de rol lijkt te vervullen die Christus in het evangelie heeft, een plaatsvervangende rol waarvan we de betekenis vaak niet lijken te beseffen, zozeer hebben we het met onszelf te doen. Ook speelt een weddenschap à la Blaise Pascal een rol.
Image Journal: ‘The Preacher Addresses the Seminarians’ is a dramatic monologue that combines humor and a certain astringent realism about human nature. (…) The poem starts out as a butt-kicking handed out by the preacher to presumably naïve seminary students but by the conclusion the speaker utters a poignant confession. In the end, it seems to be about the need for preachers, as well as laypeople, to “help untold souls back into their bodies.” If that’s true, what does that phrase mean?
CW: I wrote this poem long before coming to Yale. I’ve just sat on it for a few years, as I usually do with my poems.
I suppose the poem is on one level about the body/spirit distinction, the fallacy of that. So many of us float—in our minds, our beliefs, our loves, our art—above the “No” that our actions express. The No to existence, I mean, to reality. Karl Barth has a great quote somewhere about the duty of every Christian to say “Yes” to existence, whatever it may bring you.
The traditional Christian distinction between heaven and earth is not helpful to me. I wrote somewhere or other that to love one’s life is to assent to its terms, the severest of which is death. (That’s the lesson the preacher learns in the incident with the goat, which is of course the same lesson that Jesus taught.) I think it’s the duty of preachers to ease people back into their bodies, back into the reality they must not only deal with but even come to love—and again, the hardest part of this is death. “Untold” has two meanings in the poem. It means innumerable, of course, but it also means quite literally “those who have not been told” the good news, which is also bad news (“costing not less than everything,” as Eliot put it). So that’s what the preacher is trying to teach the seminarians.
Het gedicht is heel rijk van taal, en het bevat bovendien een aantal neologismen: gluefutured, churchcurdled, unthunder die ook met neologismen vertaald zijn.
Aurora Borealis is het Noorderlicht. Ik heb gekozen voor theologiestudenten en niet voor seminaristen, omdat dat laatste woord in het Nederlands – anders dan in het Engels – vrij exclusief voor katholoieke priesteropleidingen wordt gebruikt.
Hominy, hominy is maïspap, maïspap in het Engels, iets licht verteerbaars dus, en het klinkt een beetje naar ‘homiletiek’ – preekkunde. Ik heb er ‘preekpulp, paaspap’ van gemaakt.
Het gedicht is opgenomen in de bundel Once in the West, New York: Farrar, Straus and Giroux 2014.
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
De predikant wendt zich tot theologiestudenten
Laat ik zeggen het is soms een klote-bestaan op zondag en ‘t is verkeerd om te doen alsof je niet hoeft te doen alsof,
alsof je niet die toekomstkleffe zeikerds Hoop en Hulp hoeft aan te spannen om de ellendige strijdwagen van jezelf vooruit te geselen
naar wat voor hel dan ook die jouw hemel is op zulke dagen. Er is honger voor nodig, zeg ik je, die geen hemel kan stillen
om zo verwrongen te letten op het pedaalspel van die lieve organist, zo sissend alert te zijn op de vormeloosheid van haar koorkleed.
Dan nu, broeders en zusters, de schuldbelijdenis, preekpulp, paaspap, zuurzoete zegengroet, weer een koket kerkslaperig lied
dat we niet zingen, maar afraffelen: doodse alten, raspende tenoren, twee die het doen, tien die licht in verwarring hun lippen meebewegen.
En nu jij, dominee. Laat de donderdans stoppen. Even een pislauw aanrakinkje met de realiteit. Een stukje evangelie dat je eruit perst.
Ik zeg soms tegen jullie dat genade niks anders is als bevrijding uit dit homiletisch hologram, een klein vleespasje
opzij, om zo te zeggen, we zetten hartstocht op autopilot (alsof het dat niet al is!) om vredig te staren naar jullie van onvree borrelende parochianen:
drankneuzen en faceliften, slechte hypotheken, taaie huwelijken, een metselwerk van koppen, tegelijk eender en anders,
en hier en daar die extatische hongerige blik die overspringt van de een op de ander, jaar in, jaar uit, als een heilige griep.
Al deze kleine kiertjes waarin je gekropen bent als een dikke stukadoor met nutteloos gereedschap:
Hier, een gedichtje voor als je vrouw doodgaat. Hier, laat maar lekker doodgaan, jouw levensellende.
Ik zeg je dat op sommige zondagen zelfs het kinderpreekje – misschien dat wel speciaal – een aanslag is op je maag
als een bek vergif waaraan een bier-slurpende bok, dronken of per abuis, gretig de voorkeur geeft.
Ik weet wat je denkt. Het draait hier om Christus. Hij komt er wel, die ouwe streber, want hoe dan ook, ergens
is er het wondervlees, het aurora borealis-bloed, waarvan elk atoom wordt ingepast in een graf
en nu juist wat elk mens verliezen moet om gered te worden. Goed, vrienden, vandaag ga ik jullie twee dingen zeggen.
Allereerst, al is dit voor mij niet een van die zwartgallig-schrijnende dagen, al sta ik in feite vóór jullie met een zinderend geloof
en heb ik goede hoop dat jullie allemaal zullen helpen bij de terugkeer van die vele onwetende zielen in hun lichaam,
bij het beredderen van het verwoestende Nee waarop ze drijven, de waarheid is dat onze enige redder mislukking is.
En dat brengt me bij het tweede ding: die bok. Die was echt. Het is, als zo vaak, het afschuiven van verantwoordelijkheid
dat de leugen is. Het was lang geleden, Mexico, ‘k werd geplaagd door demonen: ‘t was een weddenschap waarvan ik niet zag wat er op het spel stond.
Hij wankelde. Hij schuimbekte. Hij wrong tijd uit tot een geladen stilte, en schopte af en toe, en lag daar te stuiptrekken, kijkend hoe ik stierf.
Origineel
The Preacher Addresses the Seminarians
I tell you it’s a bitch existence some Sundays and it’s no good pretending you don’t have to pretend,
don’t have to hitch up those gluefutured nags Hope and Help and whip the sorry chariot of yourself
toward whatever hell your heaven is on days like these. I tell you it takes some hunger heaven itself won’t slake
to be so twitchingly intent on the pretty organist’s pedaling, so lizardly alert to the curvelessness of her choir robe.
Here it comes, brothers and sisters, the confession of sins, hominy hominy, dipstick doxology, one more churchcurdled hymn
we don’t so much sing as haunt: grounded altos, gear-grinding tenors, two score and ten gently bewildered men lip-synching along.
You’re up, Pastor. Bring on the unthunder. Some trickle-piss tangent to reality. Some bit of the Gospel grueling out of you.
I tell you sometimes mercy means nothing but release from this homiletic hologram, a little fleshstep
sideways, as it were, setting passion on autopilot (as if it weren’t!) to gaze out in peace at your peaceless parishioners:
boozeglazes and facelifts, bad mortgages, bored marriages, a masonry of faces at once specific and generic,
and here and there that rapt famished look that leaps from person to person, year to year, like a holy flu.
All these little crevices into which you’ve crawled like a chubby plumber with useless tools:
Here, have a verse for your wife’s death. Here, have a death for your life’s curse.
I tell you some Sundays even the children’s sermon — maybe especially this — sharks your gut
like a bite of tin some beer-guzzling goat either drunkenly or mistakenly decides to sample.
I know what you’re thinking. Christ’s in this. He’ll get to it, the old cunner, somewhere somehow
there’s the miracle meat, the aurora borealis blood, every last atom compacted to a grave
and the one thing that every man must lose to save. Well, friends, I’m here to tell you two things today.
First, though this is not, for me, one of those bilious abrading days, though in fact I stand before you in a rage of faith
and have all good hope that you will all go help untold souls back into their bodies,
ease the annihilating No above which they float, the truth is our only savior is failure.
Which brings me to the second thing: that goat. It was real. It is, as is usually the case, the displacement of agency
that is the lie. It was long ago, Mexico, my demon days: It was a wager whose stakes I failed to appreciate.
He tottered. He flowered. He writhed time to a fraught quiet, and kicked occasionally, and lay there twitching, watching me die.
R.S. Thomas in tweevoud (afbeelding komt voor op de omslag van de bundel Uncollected Poems)
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).
[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]
R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):
“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”
Het door mij vertaalde gedicht beschrijft een aantal eeuwen, de vijftiende tot en met de twintigste. Elke eeuw wordt kort gekarakteriseerd, waarbij ik me wel een paar vrijheden heb veroorloofd bij de vertaling: ‘een woordenschat stropen uit de lach van de koning’, leek me in het Nederlands minder geslaagd.
Het gedicht mondt uit in de twintigste eeuw, een eeuw die weinig begrenzingen kende: zowel in positieve zin – wetenschap en techniek ontwikkelden zich op een duizelingwekkende manier – als in negatieve zin: de moordpartijen tartten eveneens elke verbeelding. R.S. Thomas legt in het afsluitende distichon impliciet een verband tussen beide vormen van grenzeloosheid.
Het gedicht is te vinden in de Collected Poems 1945-1990, Londen: Phoenix 2000, p.416. Eerder uitgegeven door J.M. Dent in 1993.
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
Eeuwen
De vijftiende komt langs met trommel en kuras; de monnik slaat het gade door het rooster van de geest.
De zestiende zet zijn pet op, verheft luide zijn stem om zinnigheid te ontfutselen aan de lach van de koning.
De zeventiende draagt om zijn nek een kanten kraag, vlees dat zich afwendt van de vlam van de geest.
De achttiende heeft hoge koorts en suizend bloed, Maar reinigt zijn neusgat met een snuifje puntigheid.
De negentiende komt uit die oude grotten tevoorschijn Zijn ogen uitwrijvend bij een uitzicht van glas.
De twintigste is waarnaar hij zo uitkeek Zijn vleugels stukslaand tegen een raam dat ontbreekt.
Origineel
Centuries
The fifteenth passes with drums and in armour; the monk watches it through the mind’s grating.
The sixteenth puts on his cap and bells to poach vocabulary from a king’s laughter.
The seventeenth wears a collar of lace at its neck, the flesh running from thought’s candle.
The eighteenth has a high fever and hot blood, but clears it nostrils with the snuff of wit.
The nineteenth emerges from history’s cave rubbing its eyes at the glass prospect.
The twentieth is what it looked forward to beating its wings at windows that are not there.
Walt Whitman (1819-1892) was een bijzondere Amerikaanse dichter die leefde in de negentiende eeuw. Hij wordt wel beschouwd als de aartsvader van het vrije vers, en de voornaamste dichtbundel waaraan hij zijn hele leven is blijven schaven is Leaves of Grass.
De titel Leaves of Grass bevat een inside joke, een grapje voor ingewijden. De titel zelf betekent ‘gras-sprietjes’ en dat geeft een bescheiden, liefelijke sfeer. Elk sprietje is anders, maar een weide is een eenheid. Maar ‘grass’ was ook in 19e-eeuwse uitgeverskringen een negatieve term om waardeloze rommel mee aan te duiden. En ‘leaves’ zijn uiteraard ook bladzijden. Overigens is ‘Blades of Grass’ veel gebruikelijker dan ‘Leaves of Grass’.
Whitman kwam uit een Quaker-gezin. Zijn vader was van Engelse afkomst zijn moeder van Nederlandse afkomst. Zijn vorming was grotendeels autodidact.
Ik kreeg de bundel Leaves of Grass van mijn stiefdochter op mijn 60e verjaardag – onlangs dus. Het is een mooie editie met goud op snee. Ik kende Whitman nog niet goed, en dat maakt het cadeau extra waardevol.
Whitman was in veel opzichten een geestdriftige, en hij bezong het democratische Amerika vaak met hartstocht. Ik ben nog wel benieuwd of het volgende gedicht, nu Amerika zich zo ondemocratisch, isolationistisch en bigot lijkt op te stellen, in onze dagen nog vaak wordt geciteerd:
America
Centre of equal daughters, equal sons, All, all alike endear’d, grown, ungrown, young or old, Strong, ample, fair, enduring, capable, rich, Perennial with the Earth, with Freedom, Law and Love, A grand, sane, towering, seated Mother, Chair’d in the adamant of Time.
Enfin, het vertaalde gedicht Miracles heeft weinig toelichting nodig. Het is één grote opsomming – de meest elementaire en pure vorm van poëzie – om duidelijk te maken dat al wat bestaat een wonder is, een wonderbaarlijke zaak.
De opsomming zelf heeft iets extatisch, maar de taal is betrekkelijk eenvoudig – wat een merkwaardig effect heeft op een versgevoelig oor.
Het betreft duidelijk een ongebonden vers, al zijn de veelvuldige herhalingen natuurlijk wel een teken van enige vormvastheid.
Miracles is te vinden op p. 385/86 van mijn editie vanWhitmans gedichtenbundel:
Walt Whitman, Leaves of Grass (introd. Kern Mondschein, PhD), San Diego: Canterbury Classics 2018.
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
Wonderen
Wie maakt zich druk om wonderen, en waarom? Wat mij betreft zijn er alleen maar wonderen, Of ik nu loop door de straten van Manhattan, Of mijn blik werp naar de lucht boven de daken van huizen, Of met blote voeten op het strand waad vlak achter de vloedlijn, Of sta onder de bomen in het bos, Of overdag praat met een van hen die ik liefheb, of ’s nachts in bed lig met een van hen die ik liefheb, Of zit aan een tafel met de anderen, Of kijk naar vreemdelingen in tegemoetkomende auto’s, Of honingbijen gadesla die op een zomerse voormiddag druk zijn om de korf, Of dieren die voedsel zoeken in het veld, Of de vogels, of de pracht van insecten in de lucht, Of de pracht van de zonsondergang, of van de sterren die zo stil en helder schijnen, Of het schitterende en verfijnde boogje van een beginnende maan in het voorjaar; Deze en andere dingen, elk en allemaal – het zijn wonderen voor mij, Elk afzonderlijk en op zijn plaats, maar verwijzend naar het geheel.
Voor mij is elk licht, elk donker uur een wonder, Elke kubieke centimeter van de ruimte is een wonder, Elke vierkante meter van het aardoppervlak is ermee bedekt, Elke halve meter van wat daaronder zit wemelt ervan.
Voor mij is de zee een onafgebroken wonder, De vissen die zwemmen – de rotsen – de beweging van golven – de schepen met mensen erin. Zijn er ergens nog gekkere wonderen?
Origineel
Miracles
Why, who makes much of a miracle? As to me I know of nothing else but miracles, Whether I walk the streets of Manhattan, Or dart my sight over the roofs of houses toward the sky, Or wade with naked feet along the beach just in the edge of the water, Or stand under trees in the woods, Or talk by day with any one I love, or sleep in the bed at night with any one I love, Or sit at table at dinner with the rest, Or look at strangers opposite me riding in the car, Or watch honey-bees busy around the hive of a summer forenoon, Or animals feeding in the fields, Or birds, or the wonderfulness of insects in the air, Or the wonderfulness of the sundown, or of stars shining so quiet and bright, Or the exquisite delicate thin curve of the new moon in spring; These with the rest, one and all, are to me miracles, The whole referring, yet each distinct and in its place.
To me every hour of the light and dark is a miracle, Every cubic inch of space is a miracle, Every square yard of the surface of the earth is spread with the same, Every foot of the interior swarms with the same.
To me the sea is a continual miracle, The fishes that swim—the rocks—the motion of the waves—the ships with men in them, What stranger miracles are there?
Konstantínos Kafávis (1863-1933) wordt beschouwd als de grootste moderne dichter van Griekenland. Hij werd in Alexandrië geboren als negende kind van een welgesteld koopmansgezin. Hij heeft een tijdlang in Engeland gewoond, maar keerde weer terug naar Griekenland. Hij was homoseksueel en had goede, maar weinig opvallende banen.
Zijn thema is het contrast tussen intense artistieke en lichamelijke genietingen en de voorbijgaande aard van alles wat zo groots en meeslepend lijkt, maar in wezen zo vergankelijk is. Hij gebruikt daartoe scènes uit de oudheid, maar hij slaagt er altijd in door zijn onopgesmukte stijl en zijn waarachtigheid dit thema heel dichtbij de lezer te brengen. Ithaka en Alexandrië zijn voor hem metaforen voor het leven zelf. Dat in dit gedicht Ithaka een metafoor is, houdt Kafávis aanvankelijk impliciet, al maakt hij het aan het eind wel duidelijk. Het lijkt een verhaaltje, maar wie enigszins versgevoelig is, voelt de enorme intensiteit van zo’n gedicht.
Hij gebruikte oudgrieks en moderngrieks door elkaar in zijn poëzie, een eigenschap die de vertaler in de moderne Europese talen niet kan nabootsen. In zijn vroege gedichten kwam soms nog onregelmatig rijm voor, later liet hij dat steeds meer los. De versregels hebben soms een jambisch metrum, maar heel vaak houdt hij zich ook daar niet strak aan.
Ithaka is misschien wel het beroemdste gedicht van Kafávis. Het centrale motief van het gedicht is ontleend aan de Odyssee van Homerus (ca. 800 v. Chr.). Ithaka is het eiland waarvan Odysseus koning was. Na de Trojaanse oorlog kostte het hem tien jaar om weer terug te keren naar Ithaka, terwijl hij daar zo snel mogelijk naar terug wilde. Allerhande tegenslag maakte dat onmogelijk. Kafávis gebruikt het Odyssee-motief, maar geeft er een geheel eigen draai aan. Het gehele gedicht is een advies om geen haast te maken, om de rijkdom te ervaren in de reis en niet in het reisdoel.
Net als bij het vorige gedicht dat ik op deze website plaatste, is er dus een centrale metafoor: in het gedicht Toen God Antonius verliet was het Alexandrië, hier is het Ithaka. Het eiland symboliseert het einddoel van onze levensreis, en de reis maakt ons rijk, niet het einddoel waarop ons leven is gericht.
Ik beheers geen Grieks, en ik heb dus eigenlijk gedaan wat niet mag. Aan de hand van een drietal vertalingen, twee Nederlandse en een Engelse, heb ik een eigen vertaling gemaakt. Mijn enige verontschuldiging is dat ook vertalers van naam en faam soms gebruik maken van de vertalingen van anderen die de taal wel beheersen. De gebruikte Engelse vertaling behoort overigens tot de hoogst gewaardeerde vertalingen in het Engelse taalgebied.
In Frankrijk heeft Marguerite Yourcenar de gedichten vertaald, met hulp van iemand die het Grieks goed beheerste – zo ziet u maar.
Ik heb in dit geval een vertaalpoging gewaagd omdat ik hoopte nog iets te kunnen toevoegen: ik wilde het gedicht nog wat natuurlijker in het Nederlands laten klinken zonder de nuances uit het oog te verliezen. Maar vertalen is natuurlijk ook altijd de intiemste manier om een gedicht nabij te komen.
Ik heb de volgende publicaties en websites geraadpleegd:
Website Rozemarijn van Leeuwen met origineel Grieks gedicht en een aantal vertalingen van Ithaka. Ik heb gebruik gemaakt van de volgende vertalingen: (1) Hans Warren en Mario Molegraaf; (2) G.H. Blanken; (3) Edmund Keeley en Philip Sherrard
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
Ithaka
Als je op weg gaat naar Ithaka, wens dat de tocht lang zal zijn, rijk aan avontuur, rijk aan ervaring. Laistrygonen, Cyclopen, de boze Poseidon – wees niet bang voor ze: je komt op je pad zulke wezens nooit tegen, mits je denken voornaam blijft, mits een verfijnd gemoed je geest en je lichaam bezielt. Laistrygonen, Cyclopen de woeste Poseidon – je komt ze niet tegen tenzij je hen meevoert in je ziel, tenzij jouw ziel ze helder voor ogen stelt.
Wens dat de tocht lang zal zijn, en dat er veel zomerochtenden zullen komen, waarbij je – hoe voldaan, hoe uitgelaten – havens binnen vaart die je voor het eerst ziet; en dat je Phoenicische handelsposten zult aandoen om delicate waren te kopen, hoedster van parel en koraal, amber en ebbenhout, een rijkdom aan zinnestrelende parfums – zo veel sensuele parfums als je aankunt; en dat je veel Egyptische steden mag bezoeken om te leren, te blijven leren van de wijzen.
Houd Ithaka altijd in gedachten. Daar aankomen is jouw ware bestemming. Maar haast je nooit tijdens de reis. Beter dat het jaren duurt, en dat je oud bent wanneer je op het eiland aankomt, overvloedig bedeeld met wat je onderweg verwierf, zonder bijgedachte dat Ithaka je rijk zou maken.
Ithaka schonk jou de prachtige reis. Zonder haar zou je nooit zijn vertrokken. Niets is er dat ze je nu nog bieden kan.
En mocht je haar armoedig vinden, Ithaka bedroog je niet. Met de wijsheid die je opdeed, met jouw rijke ervaring, zul je op dat moment weten wat deze Ithaka’s waard zijn.
Konstantínos Kafávis (1863-1933) wordt beschouwd als de grootste moderne dichter van Griekenland. Hij werd in Alexandrië geboren als negende kind van een welgesteld koopmansgezin. Hij heeft een tijdlang in Engeland gewoond, maar keerde weer terug naar Griekenland. Hij was homoseksueel en had goede, maar weinig opvallende banen.
Zijn thema is het contrast tussen intense artistieke en lichamelijke genietingen en de voorbijgaande aard van alles wat zo groots en meeslepend lijkt, maar in wezen zo vergankelijk is. Hij gebruikt daartoe scènes uit de oudheid, maar hij slaagt er altijd in door zijn onopgesmukte stijl en zijn waarachtigheid dit thema heel dichtbij de lezer te brengen. Alexandrië is voor hem de centrale metafoor voor het leven zelf, en de stad keert terug in veel gedichten, ook in het gedicht waar dit stuk de inleiding toe vormt. Dat het een metafoor is, houdt Kafávis heel impliciet. Het lijkt een verhaaltje, maar wie enigszins versgevoelig is, voelt de enorme intensiteit van die gedichten.
Hij gebruikte oudgrieks en moderngrieks door elkaar in zijn poëzie, een eigenschap die de vertaler in de moderne Europese talen niet kan nabootsen. In zijn vroege gedichten kwam soms nog onregelmatig rijm voor, later liet hij dat steeds meer los. De versregels hebben vaak een jambisch metrum.
Het centrale motief van het gedicht is ontleend aan een beroemde passage uit Plutarchus, Parallelle levens. Marcus Antonius die zich samen met Cleopatra in Alexandrië bevindt, hoort, voorafgaand aan de laatste veldslag met Augustus, opeens muziek en geroep. Een geheimzinnige groep muzikanten (die Bacchus lijken te zijn toegewijd), verlaat de stad, op weg naar de vijand. En de levensgenieter Marcus Antonius beseft opeens dat zijn lot bezegeld is, de goden zijn niet meer op zijn hand: hij gaat de slag verliezen. (Deze alinea is ontleend aan: Gedicht van de week: C. P. Cavafy – The god forsakes Anthony.)
Ik beheers geen Grieks, en ik heb dus eigenlijk gedaan wat niet mag. Aan de hand van een viertal vertalingen, twee Nederlandse en twee Engelse, heb ik een eigen vertaling gemaakt. Mijn enige verontschuldiging is dat ook vertalers van naam en faam soms gebruik maken van de vertalingen van anderen die de taal wel beheersen. De gebruikte Engelse vertalingen behoren overigens tot de hoogst gewaardeerde in het Engelse taalgebied.
In Frankrijk heeft Marguerite Yourcenar de gedichten vertaald, met hulp van iemand die het Grieks goed beheerste – zo ziet u maar.
Ik heb in dit geval een vertaalpoging gewaagd omdat ik hoopte nog iets te kunnen toevoegen: ik wilde het gedicht nog wat natuurlijker in het Nederlands laten klinken zonder de nuances uit het oog te verliezen. Maar vertalen is natuurlijk ook altijd de intiemste manier om een gedicht nabij te komen.
Ik heb de volgende publicaties en websites geraadpleegd:
Dertig gedichten Konstantinos P. Kaváfis (Vertaling Hans Warren en Mario Molengraaf), De Tweede Ronde, jrg. 4 (1983) – deze door dbnl gedigitaliseerde publicatie bevat ook het Griekse origineel
The complete poems of Cavafy, vert. Rae Dalven, inl. W. H. Auden, 1961 (de inleiding van Auden is dezelfde tekst die ik hierboven ook al noemde bij de titel Forewords and Afterwords).
De Nederlandse vertalingen die ik gebruikt heb, zijn allereerst die van G.H. Blanken:
Vert. G.H. Blanken – K.P. Kafávis, Verzamelde gedichten, Amsterdam: Polak & Van Gennip 1977, dl.1, p. 71. De foto is uit een column van Tamar (Renate Rubinstein) in Vrij Nederland, 1 feb. 1986. Met dank aan Frans Linmans.
Als je opeens, om middernacht, een onzichtbare stoet hoort langskomen met verfijnde muziek, met luide stemmen – mors dan geen klacht over jouw wrede lot, jouw mislukte werken, jouw levensplannen die stuk voor stuk illusies bleken. Alsof je het allang wist, alsof je de moed bezat, zeg vaarwel tegen het Alexandrië dat jou verlaat. Wees vooral geen dwaas, zeg niet tegen jezelf het was slechts een droom, mijn oor bedroog mij; val niet ten prooi aan zulke ijdele hoop. Alsof je het allang wist, alsof je de moed bezat, sta op als de man die zo’n stad waardig is; treedt toe tot het venster met ferme pas, en luister, zonder de smeekbeden en het geklaag van de lafhartige, met ontroering en een laatste diepe vreugde naar de klanken, de verfijnde instrumenten van de geheimzinnige stoet, en zeg haar vaarwel, het Alexandrië dat je nu kwijt raakt.
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).
[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]
R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):
“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”
Het door mij vertaalde gedicht – Cynddylan op een tractor – is een al wat ouder gedicht in het oeuvre van R.S. Thomas. Het beschrijft op een spottende manier de trots van een Welshe boer die een mooie nieuwe tractor heeft. Cynddylan – een Welshe naam die je uitspreekt als ‘kíndillən’, waarbij ‘ə‘ als een stomme ‘e’ wordt uitgesproken en alleen de eerste lettergreep beklemtoond is – is een nieuwe mens met zenuwen van staal en een hydraulische bloedsomloop. De gedomesticeerde dieren worden verstrooid en de wilde dieren verdreven door deze gehelmde ridder. Kijk hem daar eens rijden.
Het gedicht vertoont her en der wat eindrijm. De slotregels rijmen zelfs opzichtig, wat de spot benadrukt.
Thomas vreesde dat de jacht naar weelde, technische vooruitgang, gemak, gadgets en genot de mensen zouden vervreemden van de schepping en van zichzelf. Hij was een liefhebber van landschap en natuurobservatie – aandacht daarvoor was voor hem een spirituele oefening. Thomas is in zijn argwaan jegens de modernisering en de gevolgen van welvaartstoename verwant aan T.S. Eliot en Simone Weil. Zie daarvoor: Grahame Davies, Resident Aliens: R. S. Thomas and the Anti-Modern Movement, Welsh Writing in English: A Yearbook of Critical Essays, Volume 7 (2001-02): 50-77.
Ik heb het gedicht vertaald omdat het voorkomt als illustratie in een fraaie recensie van de biografie van R.S. Thomas: Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R.S.Thomas. De schrijver van die beschouwing is Theodore Dalrymple, en het stuk heet A Man Out of Time. Deze recensie is elders op deze website in vertaling beschikbaar onder de titel: Een stem die klinkt als van gene zijde.
Het gedicht werd gepubliceerd in 1952 in de bundel An Acre of Land.
Hier kunt u meer informatie over het gedicht vinden waaronder een toelichting die per versregel gegeven wordt.
Geluidsopname:
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Cynddylan op een tractor
Ah, je moest Cynddylan eens zien op een tractor. Weg is het oude beeld dat hem aan de aarde bond; Een nieuwe mens is hij nu, deel van de machine, De zenuwen van staal, het hart pompt olie rond. De koppeling raast, de versnelling gehoorzaamt Zijn kleinste bevel, en kijk, hij rijdt weg, Van het erf, de kippen verstrooiend. Rijdend naar zijn werk, zoals het een groot man betaamt, Is hij de gehelmde ridder die de rust van het veld, Spiegel van stilte, doorbreekt, hij die ‘t bos ontdoet Van vossen en eekhoorns en felle gaaien. Boven de hoge bomen rijst nu zonnegloed, Die hagen laat oplichten, maar niet voor hem Die zijn motor laat lopen op geheel andere brandstof. En alle vogels zingen, vergeefs hun snavels wijd, Als Cynddylan trots het weggetje oprijdt.
Origineel:
Cynddylan on a Tractor
Ah, you should see Cynddylan on a tractor. Gone the old look that yoked him to the soil; He is a new man now, part of the machine, His nerves of metal, and his blood oil. The clutch curses, but the gears obey His least bidding, and lo, he’s away Out of the farmyard, scattering hens. Riding to work now as a great man should, He is the knight at arms breaking the fields’ Mirror of silence, emptying the wood Of foxes and squirrels and bright jays. The sun comes over the tall trees Kindling all the hedges, but not for him Who runs his engine on a different fuel. And all the birds are singing, bills wide in vain, As Cynddylan passes proudly up the lane.
Ten geleide Dit is de vertaling van een artikel in City Journal, een Amerikaans tijdschrift dat als webpublicatie verschijnt, geschreven door Theodore Dalrymple (pseud. van Anthony Daniels):‘A Man Out of Time‘, 6 november 2006
Dalrymple’s stuk is een beschouwing/recensie naar aanleiding van: Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R.S.Thomas, Londen: Aurum Press, 2006.
Ik heb de afgelopen jaren een kleine vijftig gedichten van de Welshe dichter Ronald Stuart Thomas (1913-2000) vertaald. De eerste persoon die mij op diens werk attendeerde was de conservatieve publicist Theodore Dalrymple (1949-). Ik heb dat stuk vertaald omdat het me nog steeds ontroert als ik het lees.
Thomas heeft de naam een grimmige figuur te zijn, maar u zult zien dat dit stuk een paar heel tedere gedichten bevat.
Ik ben het niet helemaal eens met Dalrymple’s positieve beoordeling van de biografie zoals u ook kunt nalezen in de recensie die ik zelf van die biografie heb geschreven: Over een biografie van R.S. Thomas – The Man Who Went Into the West. Maar ik vind de karakterisering die Dalrymple geeft van Ronald Stuart Thomas en de manier waarop hij die karakterisering aannemelijk maakt en illustreert met gedichten wel bijzonder geslaagd.
Ik ben niet bijzonder frivool, maar zodra ik de poëzie van R.S. Thomas lees, of zijn biografie, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat ik, net als de meeste mensen, het grootste deel van mijn leven valse goden heb nagejaagd. Thomas had een soortgelijk effect op anderen: John Betjeman zei in zijn inleiding op de eerste gedichtenbundel van R.S. Thomas die door een grote uitgever werd uitgegeven (in 1955) dat Thomas nog zou voortleven lang nadat hij, Betjeman, vergeten was. En een jaar later zei Kingsley Amis over het werk van Thomas dat het “de meeste moderne poëzie reduceert tot triviale gekkigheid.” Deze loftuitingen doen denken aan de woorden die Joseph Haydn, na ontvangst van de zes strijkkwartetten die Mozart aan hem opdroeg, aan diens vader schreef: “Ik zweer voor God, en als een eerlijk man, dat uw zoon de grootste componist is die ik ken, persoonlijk of van naam.”
R.S. Thomas
Ronald Stuart Thomas was een van de uitzonderlijkste literaire figuren van de twintigste eeuw. Hij werd geboren in 1913 en stierf in 2000. Zijn hele werkzame leven was hij anglicaans priester in afgelegen parochies in Wales. Hij schreef in het Engels en sprak met het accent van een Engelsman uit de hogere klasse (wat hij van geboorte niet was). Ondanks het feit dat Engelse adellijke titels indruk op hem maakten, was hij een felle, zelfs fanatieke Welshe nationalist die op zijn dertigste Welsh leerde en soms net deed alsof hij geen Engels sprak. Hoewel hij een christen was, was hij lang niet altijd menslievend. Hij stond bekend om zijn sociale onhandigheid en zwijgzaamheid; de meeste foto’s tonen hem als angstaanjagend, slechtgehumeurd en zichtbaar humorloos.
Mildred Eldridge. Dance of Life 3 Copyright: Gwydion Thomas; Supplied by The Public Catalogue Foundation
Hij huwde een kunstenares met wie zijn relatie, bezien uit het perspectief van gewone stervelingen, heel merkwaardig was. Ze spraken nauwelijks met elkaar; niemand zag ooit dat ze elkaar aanraakten; hun levens liepen meestal parallel maar ze kruisten elkaar af en toe. Ze leefden van een klein inkomen, zonder modern comfort. Bijna de enige huishoudelijke gemaksvoorziening die Thomas ooit bezat was een koelkast, waar hij al snel weer afstand van deed omdat het ding te veel lawaai maakte. Toen hij als priester met emeritaat ging, verhuisden ze naar een piepklein, onverwarmd huisje in een van de mooiste delen van Wales, waarin de temperatuur echter soms onder het vriespunt zakte.
Thomas was zeer productief en schreef meer dan 1500 gedichten. Hoewel zijn gedichten modernistisch van vorm zijn en zich bezighouden met de diepste lagen van het menselijk bestaan, raken ze onmiddellijk het gevoel. Hun taal is eenvoudig, hun weerklank diep. Aan het eind van zijn leven werden er van zijn nieuwe bundels 20.000 exemplaren verkocht in Groot-Brittannië – een enorm aantal voor iemand wiens eerste boek op eigen kosten werd gedrukt door een klein drukkerijtje boven een viswinkel in Carmathen, en een bevestiging dat niet alleen het clichématige of triviale goed verkoopt. Ook al was zijn uiterlijke leven niet veelbewogen en is er geen aanleiding om er een van die gigantische literaire biografieën aan te wijden die tegenwoordig in de mode zijn (als er al een leven is dat zoiets rechtvaardigt), een man als Thomas is van groot belang en betekenis.
Deze biografie – geschreven door iemand die Welsh als moedertaal heeft en die in 1960 als student Thomas voor het eerst ontmoette toen de dichter nog maar net bekend was geworden – is precies van de juiste lengte: de lezer hoeft niet een al te groot deel van zijn eigen leven opzij te zetten of alle andere bezigheden op te geven om het te lezen. De auteur heeft in het oog gehouden dat het doel van een dichtersbiografie is om het werk te belichten, en dit boek slaagt daar goed in. Omdat het onderwerp zowel onalledaags als briljant is, is het boek zeer onderhoudend.
Is er één thema dat aan Thomas’ leven en werk ten grondslag ligt en dat al diens tegenstrijdigheden met elkaar verzoent? Ik denk dat we het kunnen vinden in een essay dat hij in 1946 schreef voor een klein nationalistisch tijdschrift in Wales. “Zijn niet driekwart van onze moderne kwalen,” vroeg hij, ”te wijten aan het feit dat we vergeten zijn hoe we moeten leven …?” En we zijn vergeten hoe we moeten leven omdat we weelde en lichamelijke gemakken hebben aanbeden en God de rug hebben toegekeerd. Thomas’ politieke antwoord op deze moderne zielloosheid en op de moderne vernietiging van het Welshe platteland door wegen, bouwprojecten en vakantiegangers, was het Welshe nationalisme dat een sterke preoccupatie met het verleden heeft. Voor hem vertegenwoordigde Engeland de moderniteit en dus alles wat zielloos, oppervlakkig, mechanisch, materialistisch, vulgair en ijdel is. Het observeren van de schoonheid van de natuur, vooral het landschap en de vogels, was voor hem een spirituele oefening, een herinnering dat God ons alles heeft gegeven wat we nodig hebben voor een vervuld leven, als we er maar aandacht voor hebben. Niemand kon zeggen dat hij niet probeerde te leven naar zijn credo.
Thomas voerde zijn haat tegen de moderne wereld tot schijnbaar absurde hoogten op. De biograaf interviewde zijn enige zoon, die duidelijk niet veel om zijn vader gaf (hij woont nu in Thailand met zijn Thaise vrouw, zeker niet het lot dat een nationalist uit Wales hem zou toewensen). Zijn zoon zei: “Als zoon van een predikant moest ik verplicht naar de kerk om naar hem te luisteren terwijl hij maar doordramde over het kwaad van koelkasten.” “Koelkasten?” vroeg de biograaf ongelovig. “Dat zal toch wel niet.”
The Ogre of Wales
“Oh ja, dat deed hij wel, het was de Machine, weet je,” antwoordde de zoon. “En wasmachines. En televisies. En dit tegen een gemeente die geen van deze dingen bezat en ernaar verlangde.”
Het is gemakkelijk om hier om te lachen (en de dichter Philip Larkin verwees in zijn brieven naar R. S. Thomas als stomvervelende zeurpiet [Arsewipe Thomas]). Maar in feite stelde Thomas een diepe vraag waar geen antwoord op kwam: Waar dient het leven voor? Is het alleen maar om meer te consumeren en onszelf te verdoven met steeds meer vertier en gadgets? Wat doet dit met onze ziel? In een vroeg gedicht beschrijft Thomas een boer uit Wales, apetrots op zijn nieuwe tractor:
Ah, je moest Cynddylan eens zien op een tractor. Weg is het oude beeld dat hem aan de aarde bond; Een nieuwe mens is hij nu, deel van de machine, De zenuwen van staal, het hart pompt olie rond. De koppeling raast, de versnelling gehoorzaamt Zijn kleinste bevel, en kijk, hij rijdt weg, Van het erf, de kippen verstrooiend. Rijdend naar zijn werk, zoals het een groot man betaamt, Is hij de gehelmde ridder die de rust van het veld, Spiegel van stilte, doorbreekt, hij die ‘t bos ontdoet Van vossen en eekhoorns en felle gaaien. Boven de hoge bomen rijst nu zonnegloed, Die hagen laat oplichten, maar niet voor hem Die zijn motor laat lopen op geheel andere brandstof. En alle vogels zingen, vergeefs hun snavels wijd, Als Cynddylan trots het weggetje oprijdt.
[Origineel:]
Cynddylan on a Tractor
Ah, you should see Cynddylan on a tractor. Gone the old look that yoked him to the soil; He is a new man now, part of the machine, His nerves of metal, and his blood oil. The clutch curses, but the gears obey His least bidding, and lo, he’s away Out of the farmyard, scattering hens. Riding to work now as a great man should, He is the knight at arms breaking the fields’ Mirror of silence, emptying the wood Of foxes and squirrels and bright jays. The sun comes over the tall trees Kindling all the hedges, but not for him Who runs his engine on a different fuel. And all the birds are singing, bills wide in vain, As Cynddylan passes proudly up the lane.
We kunnen natuurlijk twisten over de vraag of er ooit wel zo’n spirituele harmonie heeft bestaan, waarbij de mens volledig één was met alle taken die uitgevoerd moesten worden om zijn zware bestaan aan de aarde te ontrukken. Maar het gedicht wijst er in ieder geval op dat vooruitgang zoals uitgebeeld door de tractor ook verlies met zich meebrengt, in dit geval een ernstig verlies, en dat een opeenstapeling van steeds meer tractorachtige apparaten (koelkasten, wasmachines, televisies, enzovoort) niet het goede leven vormt. Want als we al deze dingen uiteindelijk hebben, rijzen nog steeds de vragen: “Wat nu?” en “Hoe moeten we leven?” en “Waarom zouden we tevreden moeten zijn met meer van hetzelfde?” Aan alle gedichten van Thomas ligt een onderzoek naar de existentiële behoeften van de mens ten grondslag, en het bange vermoeden dat de mens deze volkomen verkeerd begrepen heeft, waardoor diens hele persoonlijkheid misvormd wordt. Daarom lijkt Thomas altijd zo intens individueel, altijd een minderheid van één, zelfs in zijn huwelijk. Hij heeft de intensiteit van een profeet en het meesterschap van een dichter – opmerkelijke eigenschappen in de tweede helft van de twintigste eeuw.
Byron Rogers – foto van Facebook
De auteur van de biografie is grappig zonder respectloos te zijn. Hij laat zien dat Thomas over een droge humor beschikte en hij brengt ook de diepte van zijn karakter goed over. Hij begrijpt dat Thomas, ondanks zijn uiterlijke froideur [kilheid] (hij leek vaak de voorkeur te geven aan vogels kijken boven menselijk gezelschap), een man was met een diepgaand gevoelsleven, iets wat onze tijd van uitbundige zelfexpressie misschien moeilijk kan begrijpen of zelfs maar geloven.
Het verslag van de dood van zijn vrouw in 1991 is buitengewoon ontroerend. Ze was al lange tijd ziek. Haar slaapkamer in hun kleine huisje – dat geen voorzieningen had, naast een uitzicht dat zo mooi was dat mijn hart een keer overslaat als ik eraan denk – was bereikbaar via een ladder. Hij bracht haar thuis uit het ziekenhuis toen duidelijk werd dat ze niet meer beter kon worden, en hij droeg haar “zelf de ladder op zoals hij een bruid zou dragen,” en dat terwijl hij net een hernia-operatie had ondergaan (hij was toen 78, zij 82). Ze stierf vier dagen later.
Na haar dood schreef hij liefdesgedichten die buitengewoon teder zijn:
[Hier vindt u nog wat toelichting bij de vertaling.]
Ze liet me alleen. Van wie was die stem, kouder dan grafwind, die sprak “Het is voorbij”? Ongrijpbaar, onzichtbaar, komt ze nog bij me, zoals ze vaak deed, terwijl ik wat lees. Er is een beving van licht, als van een vogel die de zonnebaan kruist, en ik kijk op in herkenning van een afwezige aanwezigheid. Geen woord, geen geluid als ze haar gang gaat, maar een geur die blijft hangen, geur van de tijd die zichzelf offert in liefdesvuur.
[Origineel:]
No Time
She left me. What voice colder than the wind out of the grave said: “It is over?” Impalpable, invisible, she comes to me still, as she would do, and I at my reading. There is a tremor of light, as of a bird crossing the sun’s path, and I look up in recognition of a presence in absence. Not a word, not a sound, as she goes her way, but a scent lingering which is that of time immolating itself in love’s fire.
En, zelfs met nog meer tederheid:
[Hier vind u nog wat toelichting bij de vertaling.]
Een Huwelijk Wij troffen elkaar onder een stortbui van vogelklanken. Vijftig jaar verliepen, moment van Liefde in een wereld onderhorig aan de tijd. Ze was jong; ik kuste haar met mijn ogen dicht en toen ik ze opsloeg zag ik haar rimpels. “Kom” zei de dood, haar uitverkiezend als zijn partner voor de laatste dans. En zij, die bij leven alles deed met de gratie van een vogel, opende nu haar snavel voor het slaken van een zucht, niet zwaarder dan een veertje.
[Origineel:]
A Marriage
We met under a shower of bird-notes. Fifty years passed, love’s moment in a world in servitude to time. She was young; I kissed her with my eyes closed and opened them on her wrinkles. “Come” said death, choosing her as his partner for the last dance. And she, who in life had done everything with a bird’s grace, opened her bill now for the shedding of one sigh no heavier than a feather.
Dit is des te opmerkelijker omdat, volgens de gedichten die Thomas in de loop der jaren schreef, hun huwelijk bepaald geen sprookje was. Sterker nog, hij en zijn vrouw hadden het huwelijk bijna koeltjes gesloten, zonder verwachtingen van romantische gelukzaligheid:
[Vertaling:]
Ik zag haar – we waren jong – en spreidde instinctief de weelde van mijn vedertooi om aandacht. Ze werd niet misleid, maar ze aanvaardde mij – zoals een meisje dat onder een zuinig maantje soms doet zonder veel liefde – als iemand met wie je een thuis kunt maken voor het kind waar ze vandroomde.
[Origineel:]
I saw her, when young, and spread the panoply of my feathers instinctively to engage her. She was not deceived, but accepted me as a girl will under a thin moon, in love’s absence as someone she could build a home with for her imagined child.
Vijftig jaar nadat ze getrouwd waren, schreef hij:
[Vertaling:]
Samenzijn van koude handen, de ogen afgewend als geloften worden afgelegd zonder dat een woord klinkt. Geleidelijk aan na vijftig lange jaren met ingehouden adem is het hart warm geworden.
[Origineel:]
Cold hands meeting, the eyes aside as vows are contracted in the tongue’s absence. Gradually over fifty long years of held breath the heart has become warm.
Ik betwijfel of er een huwelijk is dat voor de moderne ontvankelijkheid afstotelijker is dan dit huwelijk: een simpele calculatie bij de één die uitgroeit tot een onopvallende, maar diepe emotie. Juist omdat zulke relaties zo ver van ons afstaan of onalledaags zijn, is het de moeite waard om erover na te denken.
Thomas was een man van grote ernst – ernstig, niet zwaar op de hand of alleen maar eerlijk. Hij worstelde tot het einde van zijn leven om God te vinden, niet in de zin van halleluja-roepende born again-christenen, maar in de vorm van een heuse zoektocht naar de zin van het bestaan:
[Het betreft het gedicht The New Mariner. Het complete gedicht met vertaling en wat toelichting treft u hier aan.]
[Vertaling:]
Voor mij is er nu alleen nog de God-ruimte waarin ik mijn sondes uitzend. Ik had uitgekeken naar de oude dag als een tijd van rust, een tijd om m’n horizonnen om me heen te trekken, herinneringen te zien rijpen in het zonlicht van een ommuurde tuin. Maar er is een leegte boven mijn hoofd, er zijn de diepten binnen in mij waaruit onvermoeibaar signalen komen. Als astronaut die onmogelijke reizen aflegt naar de verste uithoeken van het ik, keer ik terug met boodschappen die ik niet kan ontcijferen …
…
[Origineel:]
For me now there is only the God-space into which I send out my probes. I had looked forward to old age as a time of quietness, a time to draw my horizons about me, to watch memories ripening in the sunlight of a walled garden. But there is the void over my head and the distance within that the tireless signals come from. And astronaut on impossible journeys to the far side of the self I return with messages I cannot decipher …
Weinig mensen leefden intenser dan Thomas, hoewel hij de windstreken van het kleine Noord-Wales zelden verliet. Al zijn relaties waren intens, zonder aandacht te trekken. Hij voelde een bittere haat jegens zijn moeder – de reden is niet helemaal duidelijk (maar ik vermoed omdat ze zo alledaags was). Toch mocht ze aan het eind van haar leven bij hem en zijn vrouw in komen wonen.
[Vertaling:]
We zorgden dat ze door kon leven, niet zozeer uit liefde voor haar, maar uit afkeer van de dood.
[Origineel:]
We made her live on, not out of our affection for her, but from a dislike of death.
Deze eerlijkheid wekt bijna de indruk dat er een huid wordt afgestroopt, maar verzoening komt aan het einde:
[Vertaling:]
De ambulance kwam om ons te verlossen van de besognes van haar lichaam; ze werd overgedragen van de onkunde die ons geweten teisterde naar de zoveel zuiverder ziekenhuiszorg. Daar nam ik toen nog haar hand en maakte een strak koordje van onze vingers om de misvormde gevoelens daarmee wat steun te geven.
[Origineel:]
The ambulance came to rescue us from the issues of her body; she was delivered from the incompetence of our conscience into the hospital’s cleaner care. Yet I took her hand there and made a tight-rope of our fingers for the misshapen feelings to keep their balance upon.
Er zijn maar weinig levens, zeker van hedendaagse figuren, die ons zo hevig naar binnen doen kijken als het leven van Thomas. Deze korte biografie is de best denkbare introductie tot zijn werk.
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).
[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]
R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):
“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”
Het door mij vertaalde gedicht is niet moeilijk te begrijpen. Er staat een bijna zestigjarige voor de spiegel, en hij bestudeert zijn blik, zijn gelaat, zichzelf. Hij trekt een paar hardhandige conclusies, en eindigt met een verlangen. De gebruikte werkwoorden ‘outdistanced‘ en ‘overtake‘, die enigszins tegenstrijdig zijn – de blijdschap die hem moet inhalen is hem voorbijgevlogen – maken duidelijk dat hier geen vanzelfsprekendheden aan de orde zijn.
Het gedicht is vrij van vorm, zonder noemenswaardig eindrijm. Het is bovendien opgetrokken uit enjambementen – zinnen die doorlopen over de versregels. Die enjambementen zijn bepaald niet willekeurig gekozen. Het zinselement dat op de volgende versregel terechtkomt verleent er een zekere nadruk en ernst aan, en is soms ook verrassend. Alledrie zijn belangrijk voor het effect dat het gedicht heeft.
Eigenlijk had ik dit gedicht een paar maanden geleden moeten vertalen, want toen was ik zelf nog 59, maar het gedicht had toen nog niet mijn aandacht getrokken.
Self Portrait werd gepubliceerd in de bundel: R.S. Thomas, Laboratories of the Spirit, London: Macmillan 1975.
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
Zelfportret
Die lijdzame blik! Hier ben ik dan, Zegt-ie; negenenvijftig, kalend, de uitdaging ontlopend van de jonge meisjes. De tijd raakt gauw op, en de ziel is niet af. En het hart beseft dit is niet het portret waarvoor het poseerde. Houd de lippen strak; te veel teleurstellingen hebben de mondhoeken omlaag gehaald. Geen chirurgie die iets aan deze lijnen kan doen; wreed is het licht dat ze betast en de geest huivert. Al die bedrevenheid, leven, in het snijden van zo’n gebogen neusvleugel en voor geen ander doel dan walging. De schichtige ogen staan even stil, wachtend tot een blijdschap die uit het zicht verdween, hen in zal halen.
Origineel
Self-Portrait
That resigned look! Here I am, it says; fifty-nine, balding, shirking the challenge of the young girls. Time running out now, and the soul unfinished. And the heart knows this is not the portrait it posed for. Keep the lips firm; too many disappointments have turned the mouth down at the corners. There is no surgery can mend those lines; cruelly the light fingers them and the mind winces. All that skill, life, on the carving of the curved nostril and to no end but disgust. The hurrying eyes pause, waiting for an outdistanced gladness to overtake them.
Walt Whitman (1819-1892) was een bijzondere Amerikaanse dichter die leefde in de negentiende eeuw. Hij wordt wel beschouwd als de aartsvader van het vrije vers, en de voornaamste dichtbundel waaraan hij zijn hele leven is blijven schaven is Leaves of Grass.
De titel Leaves of Grass bevat een inside joke, een grapje voor ingewijden. De titel zelf betekent ‘gras-sprietjes’ en dat geeft een bescheiden, liefelijke sfeer. Maar ‘grass’ was ook in 19e-eeuwse uitgeverskringen een negatieve term om waardeloze rommel mee aan te duiden. En ‘leaves’ zijn uiteraard ook bladzijden.
Whitman kwam uit een Quaker-gezin. Zijn vader was van Engelse afkomst zijn moeder van Nederlandse afkomst. Zijn vorming was grotendeels autodidact.
Ik kreeg de bundel Leaves of Grass van mijn stiefdochter op mijn 60e verjaardag. Het is een mooie editie met goud op snee. Ik kende Whitman nog niet goed, en dat maakt het cadeau extra waardevol.
Het gedicht dat ik vertaald heb is niet moeilijk om te begrijpen. Het contrasteert geleerdheid en kennis met de beleving van het verschijnsel waar die kennis over gaat,
Geluidsopname:
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Toen ik luisterde naar de geleerde astronoom
Toen ik luisterde naar de geleerde astronoom, Toen de bewijzen, grafieken, tabellen voor mijn neus verschenen, Toen hij me z’n kaarten, diagrammen toonde om ze te plussen, te minnen en te waarderen, Toen ik daar zat te luisteren naar de astronoom terwijl hij onder veel applaus sprak achter zijn spreekgestoelte, Werd ik al snel zo ellendig, moe en afwezig, Dat ik ten slotte afgemat opstond en wegliep In de mystieke, klamme nacht, en zo nu en dan Opkeek in volmaakte stilte naar de sterren.
Origineel:
When I Heard the Learn’d Astronomer
When I heard the learn’d astronomer, When the proofs, the figures, were ranged in columns before me, When I was shown the charts and diagrams, to add, divide, and measure them, When I sitting heard the astronomer where he lectured with much applause in the lecture-room, How soon unaccountable I became tired and sick, Till rising and gliding out I wander’d off by myself, In the mystical moist night-air, and from time to time, Look’d up in perfect silence at the stars.
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).
[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]
R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):
“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”
Het door mij vertaalde gedicht is niet moeilijk te begrijpen. In de eerste strofe wordt een onbeduidend Welsh kerkje beschreven dat enigszins in verval is en geen toeristen trekt. In de tweede strofe wordt beeldend beschreven hoe ooit in een ver verleden een dominee in staat was eenvoudige mensen te bezielen met zijn woorden.
Daarmee is het zonder twijfel ook een nostalgisch gedicht.
Maar er is misschien nog wel iets meer over te zeggen. Thomas heeft vrij veel gedichten gemaakt over eenzame bezoeken aan eenzame kerkjes. Dit gedicht is – denk ik – ook een poging om voor zichzelf te definiëren wat zijn roeping was, de roeping van een onalledaagse anglicaanse priester in een tijd waarin de kerk massaal werd verlaten.
Hij wilde de mensen bezielen zodat ze gevoelig zouden worden voor de schoonheid van de schepping en het mysterie van het leven.
En je moet bij de slotregels ook even denken aan Life at the Bottom – het boek waarin de Britse schrijver-psychiater Theodore Dalrymple (pseud. van Anthony Daniels) beschrijft hoe de Britse onderklasse is afgedaald in treurnis, armoe en ‘self-inflicted misery’, waarin duidelijk wordt hoezeer de Britse ‘kleyne luyden’ door de intellectuelen worden geminacht, maar vooral hoe deze luyden zichzelf hebben verwaarloosd.
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
Het kerkje
Op enige afstand van de hoofdweg, Tot rust gekomen in de grauwheid van z’n eeuw, ligt daar het kerkje – lelijk – zonder de toerist te verleiden z’n auto stil te zetten om even te kijken. Het verkeer komt er langs, en de rivier komt er langs, en ook de vluchtige schaduw van wolken, en dan nestelt het kerkje zich weer wat dieper in het gras.
Toch was het ooit hier, op net zo’n avond, in de duisternis die de toehoorders omgaf, dat een predikant in vuur ontstak en aanhoudend voor hun ogen vlamde met een vreemd licht, zodat zij de pracht van de kale bergen om hen heen zagen en zij vurig hun herhaalde ‘amen’ zongen, klein maar bevrijd zoals mensen nu niet meer zijn.
Origineel
The Chapel
A little aside from the main road, becalmed in a last-century greyness, there is the chapel, ugly, without the appeal to the tourist to stop his car and visit it. The traffic goes by, and the river goes by, and quick shadows of clouds, too, and the chapel settles a little deeper into the grass.
But here once on an evening like this, in the darkness that was about his hearers, a preacher caught fire and burned steadily before them with a strange light, so that they saw the splendour of the barren mountains about them and sang their amens fiercely, narrow but saved in a way that men are not now.
R.S. Thomas (afbeelding afkomstig van Poetry Foundation)
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).
[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]
R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):
“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”
Het door mij vertaalde gedicht is vrij dramatisch. Friedrich Nietzsche maakte een drama van de dood van God, maar R.S. Thomas kon er ook wat van.
Het gedicht heet Poste Restante. Dat betekent dat het poststuk op het postkantoor blijft liggen tot iemand het komt ophalen. De dichter richt zich tot een toekomstige lezer, iemand die niet weet in welke toestand de schrijver zich bevindt.
De schets is niet bijster rooskleurig. Maar ik denk dat Thomas hier vrij nauwkeurig beschrijft hoe hij zijn domineesroeping heeft ervaren.
Hier kunt u de geluidsopname van de vertaling beluisteren:
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Poste Restante
Ik wil dat je weet hoe het ging, ongeacht of het Kruis tot stof wordt vermalen door de raderen van de mens of juist helder straalt als teken van een nieuwe tijd.
Er was een kerkje en één man die daar diende, en er waren maar weinig kerkgangers in het felle winterlicht op de heuvel, scharrelend tussen het steen dat om hen heen was gevallen als restant van een beschaving die ze – zwak als ze waren – niet konden vervangen, te arm om iets anders te doen dan wachten op het einde van een leven waarom ze niet hadden gevraagd.
Dan kwam de priester die het schorre klokje luidde dat niemand hoorde, en hij trad binnen in die duisternis, ranzig geworden door de schimmel van de jaren. En de spin liet zich zakken van de kelk, en de wijn stond daar een tijdje koud, zonder dat iemand er naar taalde behalve hijzelf, terwijl de kaarsen flakkerden als de wind aan het dak schudde. En boven dat karige maal zag hij dan zijn gelaat dat hem aanstaarde door het gebarsten glas van het raam met lippen die bewogen als van iemand die thuis was aan gene zijde.
En dan weer terug naar de klamme sacristie met het boek waarin hij zijn naam en de datum krabbelde die hij nauwelijks nog wist, zondag na zondag, terwijl het kerkje steeds dieper neerknielde en de aarde zich wentelde van seizoen tot seizoen als het rad van een reusachtige gieterij die ook jou, goede vriend, heeft gegoten, jij die nu weet wat nadien is gebeurd.
Origineel:
Poste Restante
I want you to know how it was, whether the Cross grinds into dust under men’s wheels or shines brightly as a monument to a new era.
There was a church and one man served it, and few worshipped there in the raw light on the hill in winter, moving among the stones fallen about them like the ruins of a culture they were too weak to replace, too poor themselves to do anything but wait for the ending of a life they had not asked for.
The priest would come and pull on the hoarse bell nobody heard, and enter that place of darkness, sour with the mould of the years. And the spider would run from the chalice, and the wine lie there for a time, cold and unwanted by all but he, while the candles guttered as the wind picked at the roof. And he would see over that bare meal his face staring at him from the cracked glass of the window, with the lips moving like those of an inhabitant of a world beyond this.
And so back to the damp vestry to the book where he would scratch his name and the date he could hardly remember, Sunday by Sunday, while the place sank to its knees and the earth turned from season to season like the wheel of a great foundry to produce you, friend, who will know what happened.
Thomas Hardy (1840-1928) was een Engels romanschrijver en dichter wiens reputatie opmerkelijk goed is gebleven, ondanks de rurale setting van zijn romans en gedichten. Zijn romans en poëzie hebben een weemoedige, romantische inslag.
In de vijfde klas van het vwo schreef ik mijn eerste stuk over een Engelse literaire schrijver, en dat was Thomas Hardy. De titel van mijn scriptie was Thomas Hardy as a Novelist. Ik ben hem altijd – zo nu en dan – blijven lezen.
Veel dichters – onder wie W.H. Auden – hebben zich schatplichtig aan Hardy betoond.
De vorm is vier kwatrijnen, met enigszins onregelmatig rijm. Metrisch opent het gedicht vooral met dactyli.
Het gedicht is een intense herinnering aan Emma, zijn vrouw, die in 1912 was gestorven. Om die reden heb ik nog even overwogen om de openingswoorden van het gedicht te vertalen met ‘Betreurde vrouw’.
Het mogelijke rijmpaar ‘lusteloos’ / ‘bewusteloos’ in de derde strofe heb ik na enig nadenken toch verworpen.
Geluidsopname van de vertaling:
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
De stem
Vrouw die ik mis, wat roep je, roep je naar mij – Zeggend dat je niet bent als toen, toen je afstand nam Van haar die alles was voor mij, Dat je bent als voorheen, in onze gouden tijd.
Hoor ik jou echt? Mag ik je dan ook zien, Zoals je daar stond terwijl het stadje haast komen zou, Daar waar je op me wachtte, ja, zoals ik je kende als toen, Met die enige echte jurk, luchtigjes blauw!
Of is het slechts de wind, die vol lauw verdriet Op me af komt, hier over het natte veld, Terwijl geen stem in jouw asgrauw verschiet Ooit nog ergens over jou heeft verteld?
Zo ben ik, zo strompel ik voort, Bladeren vallen, luchten zijn grauw, Wind uit het noorden suist ijl door de doorns, En de roep van de vrouw.
Origineel:
The Voice
Woman much missed, how you call to me, call to me, Saying that now you are not as you were When you had changed from the one who was all to me, But as at first, when our day was fair.
Can it be you that I hear? Let me view you, then, Standing as when I drew near to the town Where you would wait for me: yes, as I knew you then, Even to the original air-blue gown!
Or is it only the breeze, in its listlessness Travelling across the wet mead to me here, You being ever dissolved to wan wistlessness, Heard no more again far or near?
Thus I; faltering forward, Leaves around me falling, Wind oozing thin through the thorn from norward, And the woman calling.
Miłosz (1911-2004) was een Pools-Amerikaans dichter die in 1980 de Nobelprijs voor literatuur ontving. Hij werd geboren in een plaats die tegenwoordig in Litouwen ligt.
Zijn werk is bij uitstek geschikt om meer te begrijpen van de Oost-Europese gevoeligheden, omdat hij de wisselvalligheden van het lot van de Oost-Europeanen aan den lijve heeft ondervonden. Maar hij is ook een groot dichter, iemand die erin slaagt om thema’s die ontstijgen aan de plaats waar hij leefde of woonde, voelbaar te maken.
Thema’s die in zijn werk een rol spelen zijn de verdrukking van de mens onder een totalitair regime, de aanpassingsmechanismen die zo’n verdrukte mens kiest, het katholicisme, mededogen met de mens die een ontsnappingsroute kiest uit een ondraaglijke situatie.
Ik heb vijf boeken van Miłosz in huis: (1) De geknechte geest, een zeer indrukwekkende gevalsstudie van vier vrienden die allemaal ten prooi vielen aan de totalitaire dwang van de Sovjet-Unie, (2) Geboortegrond, memoires over zijn afkomst en de wederwaardigheden van zijn bepaald avontuurlijke leven, gelardeerd met interessante bespiegelingen, (3) The Land of Ulro, een biografisch werk dat zijn intellectuele en artistieke en soms ook mystieke ontwikkelingsgang beschrijft, (4) A Year of the Hunter, een interessant dagboek waarin hij ook vertelt over de debatten tussen intellectuelen in het zomerverblijf van de paus (Castel Gandolfo), en (5) Czesław Miłosz, Gedichten.
Een disclaimer: dit is geen vertaling van het originele Poolse gedicht – ik beheers geen Pools. Het is een vertaling van de Engelse vertaling – waarbij Milosz wel zelf betrokken was.
Wat betekent dit gedicht? Ik weet het niet, maar ik heb wel een idee. Toevallig las ik vanmorgen een tweet waarin een citaat van P.F. Thomése voorkwam over de Poolse dichter en Nobelprijswinnaar Wisława Szymborska (1923-2012). Dat citaat luidt als volgt:
“Door de bezieling van de gedichten geven ze je in woorden terug wat je ongemerkt aan werelden verloren bent. Dat is dus meer dan je voordien ooit hebt gehad.”
Ik denk dat dit gedicht over zulke werelden gaat. Heel vaak verdwijnen er dingen uit ons leven, mede door onze eigen keuzes, maar ook door de grillen van de geschiedenis (waarover Milosz bijzonder veel wist uit eigen ervaring), en daarmee verdwijnen deze werelden.
De Engelse vertaling is van Anthony Miłosz. Het origineel werd geschreven in Warschau in 1944, een jaartal dat ook nog wel enig licht werpt op het verdwijnen van werelden.
Als het einde van de wereld daar is Vliegt een bij om de klaver, Herstelt een visser een glinsterend net. Blije bruinvissen duiken in de zee, Jonge mussen spelen bij de regenafvoer En de slangehuid is van goud zoals het hoort te zijn.
Als het einde van de wereld daar is Lopen vrouwen onder hun paraplu’s door het veld, Een dronkaard knikkebolt aan de rand van een park, Een groenteman roept luid in de straat En een boot met gele zeilen nadert het eiland, Het lied van een viool blijft hangen in de lucht En voert naar een besterde nacht.
En zij die wachten op donder en bliksem Zijn bedroefd. En zij die wachten op tekenen en bazuinen van aartsengelen Kunnen niet geloven dat het juist nu gebeurt. Zo lang zon en maan boven ons hoofd staan, Zo lang de hommel langs gaat bij een roos, Zo lang er nog rozige kindertjes worden geboren Gelooft niemand dat het juist nu gebeurt.
Alleen een oude, grijze man, die wel profeet had willen zijn Maar geen profeet is, want hij heeft het veel te druk, Zegt voor zich uit, terwijl hij zijn tomaten opbindt: Er zal geen ander einde van de wereld zijn, Er zal geen ander einde van de wereld zijn.
Origineel:
A Song on the End of the World
On the day the world ends A bee circles a clover, A fisherman mends a glimmering net. Happy porpoises jump in the sea, By the rainspout young sparrows are playing And the snake is gold-skinned as it should always be.
On the day the world ends Women walk through the fields under their umbrellas, A drunkard grows sleepy at the edge of a lawn, Vegetable peddlers shout in the street And a yellow-sailed boat comes nearer the island, The voice of a violin lasts in the air And leads into a starry night.
And those who expected lightning and thunder Are disappointed. And those who expected signs and archangels’ trumps Do not believe it is happening now. As long as the sun and the moon are above, As long as the bumblebee visits a rose, As long as rosy infants are born No one believes it is happening now.
Only a white-haired old man, who would be a prophet Yet is not a prophet, for he’s much too busy, Repeats while he binds his tomatoes: No other end of the world will there be, No other end of the world will there be.
William Shakespeare (Gerard Soest, Portrait of William Shakespeare, c. 1667)
In de komedie As You Like It – Net wat u wilt – van William Shakespeare, de grootste dichter uit het Engelse taalgebied, komt een beroemde monoloog voor, die bekend is als All the World’s a Stage – De hele wereld is een toneelpodium.
Ik heb deze monoloog voor het eerst vertaald. Ik ken deze monoloog al sinds mijn middelbare schooltijd uit het hoofd.
De monoloog stelt de levensstadia voor als bedrijven in een toneelstuk. Er is verder volgens mij weinig toelichting nodig.
Het zijn vrije verzen. Ik heb me niet heel streng gehouden aan de vijfvoetige jambe die grotendeels in het gedicht is gevolgd.
Geluidsopname van de vertaling:
Geluidsopname – Arie Sonneveld
Vertaling:
De wereld is één groot toneel
De wereld is één groot toneel, ’t Is slechts acteren wat de mensen doen; Ze komen op, ze gaan weer af; En iedereen speelt elke levensrol; Er zijn zeven bedrijven: eerst de zuigeling, Kermend, spugend op de arm van de kraamhulp; Dan de blèrende schooljongen met boekentas En frisgewassen kop, die zich traag als een slak met tegenzin naar school sleept. Dan de minnaar, Walmend als een oliepit, die een smartlap dicht Op de wenkbrauw van zijn lief. Dan de soldaat, Met rauwe vloeken, baardig als een leeuw, Gauw getergd, driest en gevat in een twist, Steeds op zoek naar ijdele lof In de mond van het kanon. En dan de rechter, Met gewelfde buik na een lekker haantje, Die met strenge blik en gecoiffeerde baard, Vol wijze teksten en bijdetijdse praat, Speelt wat hij spelen moet. De zesde rol is voor De magere ouwe paljas op slippers, Bril op de neus, leren tasje aan de riem, Met hippe broek die veel te wijd is Voor z’n verdorde beentjes, wiens zware bas Weer overging in een kinderlijke piepstem, Vol geblaas en gehijg. En de laatste scène, Tot besluit van deze rare, rijke geschiedenis, Is tweede kindsheid en vergetelheid; Geen tanden, geen ogen, geen smaak, geen wat dan ook.
Origineel:
All the world’s a stage
All the world’s a stage, And all the men and women merely players; They have their exits and their entrances; And one man in his time plays many parts, ¬¬His acts being seven ages. At first the infant, Mewling and puking in the nurse’s arms; And then the whining school-boy, with his satchel And shining morning face, creeping like snail Unwillingly to school. And then the lover, Sighing like furnace, with a woeful ballad Made to his mistress’ eyebrow. Then a soldier, Full of strange oaths, and bearded like the pard, Jealous in honour, sudden and quick in quarrel, Seeking the bubble reputation Even in the cannon’s mouth. And then the justice, In fair round belly with good capon lin’d, With eyes severe and beard of formal cut, Full of wise saws and modern instances; And so he plays his part. The sixth age shifts Into the lean and slipper’d pantaloon, With spectacles on nose and pouch on side; His youthful hose, well sav’d, a world too wide For his shrunk shank; and his big manly voice, Turning again toward childish treble, pipes And whistles in his sound. Last scene of all, That ends this strange eventful history, Is second childishness and mere oblivion; Sans teeth, sans eyes, sans taste, sans everything.
Colerdige was de jongste van een groot domineesgezin, had een gebrekkige gezondheid, was een groot deel van zijn leven verslaafd aan opium, en leefde een romantisch dichtersleven.
De vertaling was een vertaalopdracht voor de wedstrijd die Nederland Vertaalt heet (2023). Mijn vertaling is niet in de prijzen gevallen. Hier vindt u de genomineerde vertalingen.
Het betreft hier uiteraard een schimpdicht – Keulen wordt hier belachelijk gemaakt. Op de achtergrond speelt mee dat parfum, welriekend water, soms wordt aangeduid met Eau de Cologne – vandaar ook de titel van het gedicht.
‘Two and seventy stenches’ is een grapje – in het Engels zeg je seventy two. Coleridge gebruikt hier de Duitse woordvolgorde. Deze grap is in het Nederlands niet eenvoudig na te bootsen omdat de gebruikelijke Nederlandse woordvolgorde van ’72’ gelijk is aan de Duitse.
Geluidsopname van de vertaling:
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Cologne
Keulen, stad van knoken, grauwe pijen, bezaaid met troep en boze keien, vol feeksen en mismaakte wijven; overal stank die doet verstijven – je gaat wel tachtig keer over je nek! Gij nimfen, toeziend op riool en drek, de Rijn besprenkelt, zoals u weet, in uw Cologne put en spleet; maar zeg me, Nimf, welk hoger Zijn Besprenkelt straks die Keulse Rijn?
Origineel:
Cologne
In Köln, a town of monks and bones, And pavements fang’d with murderous stones, And rags, and hags, and hideous wenches, I counted two and seventy stenches, All well defined, and several stinks! Ye nymphs that reign o’er sewers and sinks, The river Rhine, it is well known, Doth wash your city of Cologne; But tell me, Nymphs! what power divine Shall henceforth wash the river Rhine?
Gérard de Nerval (1808-1855) is het pseudoniem van de Franse dichter Gérard Labrunie die een voorname vertegenwoordiger was van de Franse romantiek. Hij leefde een veelbewogen leven in de eerste helft van de negentiende eeuw.
[Kleine excursie: hierbij moet misschien wel bedacht worden dat vrijwel iedereen in die tijd van Verlichting en Romantiek, Napoleontische oorlogen, politieke woelingen en bovendien een geneeskunst die niet tot heel veel in staat was, veelbewogen levens leidde, zeker als je die vergelijkt met ons eigen gezapige welvaartsbestaan waaraan soms alleen nog door hyperbolen, zelfbedwelming en rare gedragingen enige betekenis kan worden geschonken.]
Gérard de Nerval ging om met de groten van zijn tijd, schreef romans, toneelstukken en gedichten. Hij introduceerde de Duitse romantici in Frankrijk, en werd geprezen door Goethe. Hij was bevriend met Heine, en stierf zeer waarschijnlijk door zelfmoord.
Het onderhavige gedicht was een vertaalopdracht voor de competitie die Nederland Vertaalt heet (2023). Mijn vertaling is niet in de prijzen gevallen. Hier vindt u de genomineerde vertalingen.
De verwijzing naar Hugo betreft het boek Notre-Dame de Paris (1831). Het werd uiteraard geschreven door de romanticus Victor Hugo, en het werd in het Nederlands vertaald als De klokkenluider van de Notre Dame.
Hierbij een geluidsopname van de vertaling:
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
De Notre-Dame van Parijs
Die oude Notre-Dame – wie weet of mettertijd kraamvrouw Parijs haar naar haar graf begeleidt. Duizend jaar is niets; ooit zal de Tijd haar belagen, zoals een wolf een rund: zware, knokige resten, de ijzeren snaren verwrongen, zodat hij ten leste in droeve stilte aan het rotsig karkas zal knagen.
Van over de hele wereld zullen mensen komen om de kale ruïne te bepeinzen, weer te dromen van de taferelen die Hugo had ontboden: – ze zullen menen iets te zien van de basiliek zoals ze ooit was, machtig en magnifiek, voor hen oprijzend als de geest van een dode!
Origineel:
Notre-Dame de Paris
Notre-Dame est bien vieille: on la verra peut-être Enterrer cependant Paris qu’elle a vu naître; Mais, dans quelque mille ans, le Temps fera broncher Comme un loup fait un bœuf, cette carcasse lourde, Tordra ses nerfs de fer, et puis d’une dent sourde Rongera tristement ses vieux os de rocher!
Bien des Hommes, de tous les pays de la terre Viendront, pour contempler cette ruine austère, Rêveurs, et relisant le livre de Victor: – Alors ils croiront voir la vieille basilique, Toute ainsi qu’elle était, puissante et magnifique, Se lever devant eux comme l’ombre d’un mort!
‘At a slight remove’: Louise Glück outside her home in Cambridge, Massachusetts. Photograph: Daniel Ebersole/AP
Louise Glück (1943 –) is een Amerikaanse dichter (van joodse afkomst) die in 2020 de Nobelprijs voor literatuur won. Ze doceert Engels aan Yale University. Toen ze jong was leed ze een tijdlang aan anorexia nervosa, een ziekte die ze overwon. Ze is twee keer getrouwd geweest en heeft een zoon.
Haar thematiek is gericht op verlatenheid, op de overwinning van trauma, op verlies en op relaties die mislukken. Een strenge zelfanalyse verschaft haar vaak de motieven die in haar gedichten een rol spelen. Ze bereikt vaak een grote luciditeit in haar verzen. Ze is er goed in om de natuur te bezielen.
De vorm van haar gedichten is betrekkelijk vrij – dat wil zeggen ze schrijft meestal geen gebonden poëzie. Maar de emotionele sequentie van de gedichten, ondersteund door de klank, is altijd sterk.
Er is wel getwist of ze tot de Confessional Poets moet worden gerekend. Ik zou dat zeker niet doen: uiteraard gebruikt ze wat ze heeft doorleefd in haar poëzie, maar haar motieven zijn vaak ontleend aan de natuur, of ze zijn van mythologische aard. Ze slaagt er uitstekend in om haar thema’s universeel te maken.
Ik heb een kort stuk vertaald uit deze prozabundel American Originality. Essays on Poetry (New York: Farrar, Straus and Giroux 2017): The Culture of healing (p.58-60).
Het stuk gaat over een cultuur die geneigd is alles als zelfverbetering of herstel te beschouwen, een cultuur waarin de schepper-kunstenaar altijd zegevierend over de finish komt, waarin het lijden slechts reëel is in zoverre het aanleiding is voor een triomferend kunstwerk. Ze heeft daar ernstige bedenkingen bij.
Vertaling:
Beter worden
Als we spreken over de heilzame kracht van de kunst, moeten we onderscheid maken tussen de ervaring van de lezer en de ervaring van de schrijver. Voor de lezer kan een kunstwerk een soort mantra worden: door vorm te verlenen aan de ontreddering verlost het gedicht de lezer van een amorfe duisternis zonder zwaartekracht; het wordt een eiland in vrije val; het wordt zijn metgezel in verdriet, zijn steun en toeverlaat, een onmiskenbaar teken dat lijden op een of andere manier zin heeft.
Maar de relatie van de dichter tot zijn taalschepping lijkt me een andere.
We leven in een cultuur die bijna fascistisch is in zijn dwangmatige optimisme. Grote schaamte is verbonden met het idee en het schouwspel van een pijnlijke beproeving: de impuls om zo’n beproeving weg te drukken, te ontkennen of in te dammen kent twee uitersten – aan de ene kant de verering van een volmaakte gezondheid (lichamelijk en psychologisch), en aan de andere kant wat je een pornografie van het litteken kunt noemen, de schier eindeloze vloed van gedenkschriften en gedichten en romans die zijn gebaseerd op de aanname dat het tentoonstellen van leed wel moet leiden tot authentieke en machtige kunst. Maar als lijden zo zwaar is, waarom zou de uitdrukking ervan dan gemakkelijk zijn? Trauma en verlies zijn op zichzelf nog geen kunst: ze hebben iets weg van een onaffe metafoor. Zo’n werk is in feite aangestoken door een soort ingehouden gulzigheid. Het wil wat al te graag de meest dramatische uitersten belichamen; het ontkent al te gemakkelijk verlies als blijvend, als onherroepelijk. In plaats daarvan vertelt het een verhaal van persoonlijke overwinning, een verhaal dat bol staat met signaalwoorden als ‘groei’ en ‘heling’ en ‘zelfverwerkelijking’, wat uiteindelijk culmineert in het onvoorwaardelijke en alomvattende getuigenis dat de ziel geeft van zijn eigen heelheid, alsof verlies slechts een katalysator voor zelfverbetering zou zijn. Maar als de overweldigende kracht van het verlies wordt ondermijnd of ontkend, dan is het onvermijdelijke gevolg dat we gaan denken dat de spreker een kunstmatige constructie is, geen werkelijk mens.
Mijn eigen ervaring van acuut lijden, zowel in leven als werk, is dat ik in zulke perioden haast niks doe dan overleven, ervan uitgaande dat als ik maar overleef ik er in ieder geval nog ben als er iets verandert. Ik ben me er niet van bewust dat ik probeer zo’n verandering te bewerkstelligen. En ook geloof ik niet dat de opmerkelijke veerkracht van de kunstenaar een teken is van de helende kracht van de kunst. De manier waarop de kunstenaar zijn eigen werk ervaart, slingert heen en weer tussen paniek en dankbaarheid. Wat wel steeds aanwezig is, wat volgens mij de bron is van veerkracht (of volharding), is het vermogen om zich aandachtig over te geven aan de stof. Dat vermogen tot overgave is een soort opschorting van de eisen van het ‘Ik’; het komt voort, in het geval van de kunstenaar, uit een diep geloof in de waarde van de kunst (zij het niet noodzakelijkerwijs zijn eigen kunst, behalve dan het werk dat hij net onderhanden heeft). Soms, gedurende korte perioden in zijn leven, wordt de kunstenaar uit dat leven weggetrokken door zijn concentratie; hij leeft even in een tussentijd die tevens een zoektocht is, een respijt dat tevens een hoogspanning inhoudt. Zijn geloof in kunst, zijn investering in kunst, die bestaat in de droom zich helder uit te drukken, drijven hem voortdurend naar de toekomst – naar het ingebeelde moment waarin een overweldigende duisternis omgrenzing en vorm aanneemt. Dat geloof vervangt nostalgie door verschrikking en honger, de droom van herstel door de droom van ontdekking. En met dat doel cultiveert de kunstenaar een standvastige afkeer van zelfbegoocheling, wat niet zozeer een morele houding is als wel een pragmatisch besluit, want het enige voordeel dat het lijden meebrengt, is dat het inzicht verschaft.
De grote detective-schrijver Ross Macdonald zegt dat hij, “net als veel andere schrijvers,” “[zijn] eigen ervaringen of gevoelens niet rechtstreeks kon gebruiken”. Macdonald vond dat een verteller “moest worden afgeschermd, als met een loodafdekking tussen [hemzelf] en het radioactieve materiaal”. De dichter heeft genoeg aan de tijd, omdat die een andere invalshoek verschaft. Maar de kunstwerken die direct zijn terug te voeren tot specifieke gebeurtenissen – hoe veel eerder ze misschien ook hebben plaatsgevonden – plaatsen de kunstenaar in een bijzondere verhouding tot deze gebeurtenissen. Het gedicht is een wraakneming op het verlies dat wordt geperst in een nieuwe vorm, tot een ding dat eerder nog nergens ter wereld bestond. Het verlies wordt daarmee zowel een optelling als een aftrekking: zonder dat verlies zou dit gedicht, deze roman, dit beeldhouwwerk niet hebben bestaan. En een merkwaardig besef van geschiedvervalsing kan optreden als de onontkoombaarheid van het verlies ambigu wordt, als de manipulator er voordeel van trekt. Tegen zo’n functieverdubbeling bestaat, denk ik, geen remedie. En de drijvende kracht achter de transformatie is in alle gevallen de tijd, die ongevoelig is voor dwang of haast.
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).
[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]
R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):
“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”
Het hier vertaalde gedicht beschrijft een kloof. De kloof tussen enerzijds de mensen wier predikant hij was, of althans de mensen tussen wie hij leefde, en anderzijds de dichter die hij ook was.
De dames keuren hem nauwelijks een blik waardig, druk als ze zijn met de dingen die het leven onvermijdelijk met zich meebrengt: er leuk uitzien, de kinderen, en de omgang met de niet altijd even trouwe echtgenoten.
Wat Thomas als dichter en predikant te vertellen heeft resoneert niet, of nauwelijks, of maar zo heel af en toe.
Ik heb de titel ‘Blondes’ met ‘Kille dames’ vertaalt om het verband tussen ‘blonde’ en ‘bland’, ‘kil’ en ‘koel’ te behouden. De haarkleur vind ik hier niet van doorslaggevend belang. Mocht ik me daarin vergist hebben, dan houd ik me aanbevolen voor uw gemotiveerde kritiek.
(Bij nader inzien vind ik ‘kille dames’ te onbewimpeld. Bovendien verdwijnt met die ‘kille dames’ de verrassing van het gedicht. Ik heb de titel daarom toch gewijzigd in ‘Blondines’.)
Het gedicht werd gepubliceerd in de bundel Pietà (1966)
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Blondines
Ze liepen langs met nietszeggende blik. Het is de eenvoud van hun levens waar ik Naar smacht: mooi zijn, vol begrip, geen probleem Dat niet met een kus of een lach kan worden Weggepoetst. Ik zie ze lange straten aflopen Met de accuratesse van een lijnbus tijdens de dienst, draden die patronen vormen Die ze niet kennen. Duizend gordijnen Worden opengeschoven ter verwelkoming Van een echtgenoot die hun trouw beschaamde, die hen kinderen schonk Om mee te spelen, gerinkel van kleingeld Voor hun noden. De met tranen behangen boom Van een dichter schiet geen wortel in hun hart.
Origineel:
Blondes
They pass me with bland looks. It is the simplicity of their lives I ache for: prettiness and a soft heart, no problems Not to be brought to life size By a kiss or a smile. I see them walking Up long streets with the accuracy of shuttles At work, threads crossed to make a pattern Unknown to them. A thousand curtains Are parted to welcome home The husbands to have overdrawn On their blank trust, giving them children To play with, a jingle of small change For their pangs. The tear-laden tree Of a poet strikes no roots in their hearts.