Midden in het bos, een open plek in het bos,
lag een kei, een grote, grillig gevormde kei.
Geen boom wist wat het was; een boom blijft kalm.
Een zwijn kwam soms langs, wroetend als een zwijn.
De kei bleef onberoerd, zoals het een kei betaamt.
Er was geen route – routes ontbraken geheel.
Er waren drie spreuken, spreuken die niemand wist,
die niemand, niemand ooit had gehoord.
Als je de eerste spreuk wist, als je de spreuk uitsprak,
gaf de kei water, water voor wie dorst had.
Als je de tweede spreuk wist, als je de spreuk uitsprak,
ging de kei stralen, stralen met een groot en helder licht.
De derde spreuk moest je fluisteren, een spreuk met een vraag.
De vraag mocht niet hardop – hardop was verboden.
Slechts één keer sloeg iemand de kei met een stok, een harde stok.
Toen kwam er water, maar dat water kwam maar één keer.
De kei is eenzaam – is met de eenzame verwant.
Een wandelaar komt langs, op een dag komt hij langs.
Hij zit neer bij de kei, de kei geeft wat steun.
En zie: de kei wordt warm. Warm wordt de kei!
Samen zwijgen ze. Ze zwijgen terwijl de vogels zingen.
Dan gaat de wandelaar – hij gaat waar niemand durft komen.
Hij vertelt zijn verhaal – een wandelverhaal.
Het gaat oor in, oor uit – zoals dat met verhalen gaat.
Roerloos ligt de kei in het bos – roerloos, denkt men, als de dood.
Tot in de eeuwen der eeuwen.
[Eigen werk]
Geluidsopname
