Jezus – een apologetisch en sceptisch essay – Leszek Kołakowski (3)

[Dit is het derde deel van een kleine serie die ik op deze kleine website zal publiceren dezer  dagen. Deel 2 vindt u  hier. En uiteraard is er ook een Deel 1.]

In het eerste deel heb ik de achtergrond en de enigszins polemische inleiding van het boek Jezus. Een apologetisch en sceptisch essay van Leszek Kołakowski, beschreven. In deel 2 volgden een paar uitwerkingen en andere onderwerpen die in het boekje aan de orde komen. In dit deel zal het vooral gaan over de scheiding tussen Kerk en Staat. Het deel over ‘ontmythologisering’ volgt hier na.

Het Heilige en het Profane – Kerk en Staat

Het heilige en het profane kunnen niet zonder elkaar. Kołakowski eindigde zijn hoofdstukje over dit onderwerp welsprekend als volgt:

“Nee, Jezus heeft niet de tirannie van het heilige gepredikt. De verwachting van het eschaton [oordeelsdag, einde van de geschiedenis] heeft hem er niet toe gebracht de onwerkelijkheid van het werkelijke of het intrinsieke kwaad van het profane af te kondigen. Hij heeft het profane op zijn plaats gelaten. God zorgt voor de mussen en de lelies. Hij voedt en kleedt ons, Hij behoedt wat hij geschapen heeft en Hij heeft alles geschapen; Hij vraagt van ons om nooit slaaf te worden van aardse goederen, maar Hij veroordeelt die niet, want dan zou Hij zichzelf moeten veroordelen.

Maar aangezien Hij ons vrij geschapen heeft, dus onvolmaakt, is Hij niet in staat de spanning tussen het heilige en het profane weg te nemen; die spanning vergezelt ons onophoudelijk. En de volledige scheiding tussen beide is niet mogelijk noch wenselijk.”

Maar hoe zit het dan met de scheiding van wereldse en kerkelijke macht, de scheiding tussen Kerk en Staat.

Een kleine excursie: de scheiding tussen Kerk en Staat is een heel belangrijk geloofsartikel van atheïstische denkers, en dat is terecht. Maar het is historisch geenszins het geval dat het een puur atheïstische verworvenheid is, of zelfs maar dat ze als eersten of als enigen hiervoor geijverd hebben. Ook christenen vonden die scheiding belangrijk. De kerk mocht niet worden geregeerd door de staat, en de geaccepteerde consequentie was dat ook de staat niet mocht worden geregeerd door de kerk.

En in wezen komt de scheiding tussen Kerk en Staat ook voort uit die balans tussen het heilige en het profane. Beide domeinen hebben hun goed recht, en beide mogen ze naast elkaar bestaan. De consequentie is dat ook Kerk en Staat hun eigen zaken moeten kunnen regelen zonder inmenging van de ander. Het gaat in de context van Kołakowski’s essay uiteraard over het christendom, maar adeldom vereist dat deze ruimte ook aan anderen, zoals moslims, wordt vergund, en de moslims zullen het dan uiteraard op hun beurt ook eens moeten zien worden over de neutraliteit van de Staat.

Deze balans kan overigens sowieso niet uit het atheïsme voortkomen, en wel precies omdat het atheïsme het domein van het heilige ontkent. Het christendom kent beide domeinen. Met deze filosofische discussie in het achterhoofd moeten ook de atheïstische pleidooien om Art. 23 GW te elimineren worden beschouwd.

De scheiding tussen Kerk en Staat begon met Jezus’ antwoord op de valstrik die de Farizeeën voor hem hadden gespannen om te zien of Jezus er misschien een voorstander van zou wezen om geen belasting te betalen. Jezus antwoordde simpel: “Geef de keizer wat des keizers is.”

Dat was geen aansporing om ons dociel jegens overheden te gedragen. Het kwam eerder voort uit onverschilligheid. Die tijdelijke dingen bestaan nu eenmaal, al hebben ze maar een beperkt belang, en ze zijn eindig in de tijd bovendien, want het oordeel komt eraan.

De christenen zochten een oplossing: enerzijds wilden ze geen vreemde enclave in een vijandige wereld zijn, en ze wilden ook geen theocratie (over het algemeen). Daaruit kwam uiteindelijk de balans voort waarop we nog steeds voortbouwen. Het streven naar theocratie is volgens Kołakowski nooit mainstream geweest binnen het christendom. Maar ook hier zijn de problemen nooit definitief opgelost, want binnen de Islam is de verleiding van de theocratische oplossing nog groot.

Kołakowski schrijft op p.38:

“De scheiding van Kerk en Staat in de moderne democratieën betekent: religieuze tolerantie voor iedereen, binnen de grenzen van geldende wetten; geen verplicht godsdienstonderwijs op scholen; geen enkel wettelijk vastgelegd privilege voor leden van een specifieke godsdienstige gemeenschap; de gelijkheid van iedereen voor de wet, ongeacht godsdienst; geen enkel institutioneel gegarandeerd vetorecht voor de Kerk in publieke aangelegenheden of in de processen van wet- en regelgeving. Om de mensen te overtuigen van haar positie in de ene of de andere specifieke discussie (bijvoorbeeld rond echtscheiding of abortus) beschikt de Kerk over geen enkel dwangmiddel, het enige wat zij heeft is haar geestelijke overtuigingskracht.”

Dat alles is rechtmatig en wenselijk, zegt hij dan.

Kleine excursie: de scheiding strekt zich feitelijk naar beide kanten uit. Ook de Staat heeft niks te vertellen over de zaken van de Kerk. Onder andere de Theologische verklaring van Barmen (de zogeheten Barmer Thesen), het theologische fundament van de Duitse Bekennende Kirche tussen 1934 en 1945, is nadrukkelijk opgesteld om ook staatsinmenging in kerkelijke zaken te veroordelen.

Maar dan rijst er nog steeds een machtig probleem. De democratie houdt er geen verplichte doctrine op na die ze alle burgers wil opleggen. Maar het is natuurlijk onmogelijk om bij het opstellen van fundamentele wetten volstrekt waardevrij te blijven. Wie ‘burgerlijke vrijheden’, ‘gelijkheid voor de wet’, ‘mensenrechten’ zegt, baseert zich op bepaalde waarden: vrijheid is beter dan despotisme, en gelijkheid is beter dan een systeem van institutionele privileges. Het gaat immers om rechtvaardigheid. Maar hoe weten we zo zeker dat die dingen rechtvaardig zijn. Het is geenszins zelf-evident: de meeste mensen op aarde kunnen zonder. Ook het meerderheidsargument is zwak. Meerderheden kunnen verschuiven, en als de meerderheid voor despotisme kiest, worden we door het loutere feit van die meerderheidsopvatting – hoop ik – toch niet volautomatisch van deze mening overtuigd.

Excursie: precies daarom is het zo belangrijk om niet van alleen van ‘democratie’ te spreken – democratie sec is het dictaat van de meerderheid – maar van de ‘democratische rechtsstaat’, waarin dus de overheid gebonden is aan het recht, waarin de volksvertegenwoordiging democratisch wordt gekozen, en waarin de rechten van minderheden zijn gegarandeerd.

Maar als er een achterliggende bron moet zijn van de waarden waarop we ons baseren, dan kan dat alleen maar een goddelijke wet zijn of een natuurwet (in het essay heeft de vertaler gekozen voor ‘natuurwet’ of ‘wet van de natuur’, maar ik vermoed dat ik hier voor natuurrecht zou hebben gekozen).

Jezus heeft geen wet- of regelgeving aan ons nagelaten. Hij heeft gezegd wat ieder van ons afzonderlijk moet doen, hoe we goed van kwaad kunnen onderscheiden. In zijn gesprek met de duivel zei hij dat we alleen God moeten dienen. Hij zei dat als drager van het Woord van God. “Zijn leer is geen stuiver waard”, zegt Kołakowski, “zonder het geloof dat Jezus de Christus is, dat deze sterfelijke en lijdende mens werkelijk de drager van het Woord was.”

Dwingend opleggen kun je zo’n geloof nooit. De enige waarde van zo’n geloof is een geloof dat vrijwillig en in vrijheid wordt verkozen. En dan schrijft Kołakowski (p.41):

“Zolang het blijft bestaan, ook al is het in een afgezwakte, halfbewuste, residuele vorm, kan het geloof voor het profane leven dienstig zijn ter ondersteuning van de overtuiging dat het onderscheid van goed en kwaad reëel is, dat het wortelt in een orde die ons leven te boven gaat en niet afhankelijk is van de grillen van een overheid, een koning, een meerderheid, een politieke partij of, ten slotte, van ieder van ons afzonderlijk. Gesteld dat het volledig zou verdampen, zelfs als zijnde een vaag geloof in de natuurwet, dan heeft men alle reden om te voorspellen dat dit zal leiden tot de ineenstorting van de Europese beschaving.”

Kołakowski betwijfelt of het geloof in de natuurwet of het natuurrecht – vaak de agnostische of atheïstische variant van het goddelijk woord, maar ook wel door sommige christenen bepleit – de teloorgang van het geloof in het goddelijk woord lang kan overleven.

De scheiding tussen Kerk en Staat kwam allereerst door vorsten die geen kerkelijke bemoeienis wilden, wetenschappers die last hadden van theologen, christelijke hervormers die de kerk wilden zuiveren. Uit deze pogingen tot secularisering zijn wetenschap en moderne instituties ontstaan.

Lange tijd heeft deze seculariseringstendens en de resulterende (gedeeltelijke) scheiding tussen Kerk en Staat nauwelijks invloed gehad op het geloof dat het onderscheid van goed en kwaad niet van ons afhangt. Het onderscheid was gegrond ofwel in het goddelijk woord ofwel in het natuurrecht. Het eindigde met de door Nietzsche geproclameerde ‘dood van God’. Hobbes, Spinoza en Hume zeiden het bijna, maar Nietzsche zei het onverbloemd. “Daarmee heeft hij”, zegt Kołakowski, “de grondslag gelegd voor een nieuwe beschaving; die grondslag is de grondeloosheid, de afgrond”.

Kołakowski eindigt zijn hoofdstukje als volgt:

“Maar volgens de boodschap van Jezus is er immers het Koninkrijk, en dat is de enige reden waarom het leven niet noodzakelijk een mislukking is. Bestaat dat Koninkrijk niet, dan is de consequentie hiervan dat het leven wèl een mislukking is – altijd, in alle gevallen. Dat is de nietzscheaanse boodschap, het is de premisse, de verborgen, soms tegen wil en dank toegegeven, zelden geëxpliciteerde maar onvermijdelijke premisse van een volkomen geseculariseerde en ‘ontmythologiseerde’ beschaving.”

[WORDT VERVOLGD (OVER ONTMYTHOLOGISERING): Deel 4]